|
Vrijwilligers.
Wie zijn
ze?
Wat doen
ze?
Wanneer
doen ze het?
Hoe doen
ze het?
Na vele
jaren onzekerheid, zoeken en tasten is
de wet op het vrijwilligerswerk er
eindelijk.
Op het
eerste zicht niets aan de hand. Maar! Ik
zou toch opletten met hoofdstuk III.
De
organisatienota zou wel eens een
scharnierdocument kunnen worden naar al
wie langs de zijlijn over een of ander
aspect van je organisatie moet oordelen.
(verzekeringen, ordediensten...)
De
wet creëert, naar mijn mening, ook een
kader waar organisaties gebruik van
kunnen maken om betaalde arbeid te
vervangen. Misschien is dit wat te ver
gezocht?
Lees en
vorm je eigen mening.
Uw
dienaar Oberon I van Mechelen
--------------------------------------------------------------------------------------
3 JULI 2005. - Wet betreffende de
rechten van vrijwilligers
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen
zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij
bekrachtigen hetgeen volgt:
HOOFDSTUK
I. - Algemene bepalingen
Artikel 1. Deze wet regelt een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 78
van de Grondwet.
Art. 2. § 1. Deze wet regelt het
vrijwilligerswerk dat verricht wordt op
het Belgisch grondgebied, en het
vrijwilligerswerk dat daarbuiten wordt
verricht, maar dat georganiseerd wordt
vanuit België, op voorwaarde dat de
vrijwilliger zijn hoofdverblijfplaats
heeft in België, en onverminderd de
bepalingen die van toepassing zijn in
het land waar het vrijwilligerswerk
wordt verricht.
§ 2. De Koning kan bij een besluit
vastgesteld na overleg in de
Ministerraad bepaalde categorieën van
personen van het toepassingsgebied van
deze wet uitsluiten.
HOOFDSTUK II. - Definities
Art. 3. Voor de toepassing van deze wet
wordt verstaan onder:
1° vrijwilligerswerk: elke activiteit :
a) die onbezoldigd en onverplicht wordt
verricht;
b) die verricht wordt ten behoeve van
één of meer personen, andere dan degene
die de activiteit verricht, van een
groep of organisatie of van de
samenleving als geheel;
c) die ingericht wordt door een
organisatie anders dan het familie- of
privé- verband van degene die de
activiteit verricht;
d) en die niet door dezelfde persoon en
voor dezelfde organisatie wordt verricht
in het kader van een
arbeidsovereenkomst, een
dienstencontract of een statutaire
aanstelling;
2° vrijwilliger : elke natuurlijke
persoon die een in 1° bedoelde
activiteit verricht;
3° organisatie : elke feitelijke
vereniging of private of publieke
rechtspersoon zonder winstoogmerk die
werkt met vrijwilligers;
4° organisatienota : het document dat de
organisatie vooraf aan de vrijwilliger
bezorgt en waarin ten minste de in
artikel 4 bedoelde elementen worden
opgenomen.
HOOFDSTUK III. - De organisatienota
Art. 4. Alvorens de activiteiten van een
vrijwilliger voor een organisatie een
aanvang nemen, bezorgt de organisatie
hem, ter informatie, een organisatienota
die ten minste preciseert:
a) wat de sociale doelstelling en het
juridisch statuut van de organisatie
zijn; indien het gaat om een feitelijke
vereniging, welke de identiteit is van
de verantwoordelijke(n) van de
vereniging;
b) dat de organisatie een
verzekeringscontract gesloten heeft voor
vrijwilligerswerk zoals bedoeld in
artikel 6, § 1;
c) of andere aan het vrijwilligerswerk
verbonden risico's gedekt worden en, zo
ja, welke risico's;
d) of de organisatie vergoedingen
betaalt aan de vrijwilligers en, zo ja,
welke en in welke gevallen;
e) dat de activiteiten inhouden dat de
vrijwilliger geheimen kan vernemen ten
aanzien waarvan hij gehouden is tot de
geheimhoudingsplicht bedoeld in artikel
458 van het Strafwetboek, waarbij dat
artikel integraal wordt overgenomen.
De bewijslast inzake het bezorgen van de
organisatienota berust bij de
organisatie.
De organisatie mag de vrijwilliger
vragen een exemplaar van de
organisatienota te ondertekenen voor
ontvangst. Bij de ondertekening wordt de
datum vermeld.
HOOFDSTUK IV. - Aansprakelijkheid van de
vrijwilliger en de organisatie
Art. 5. Elke organisatie is
aansprakelijk voor de schade die de
vrijwilliger aan derden veroorzaakt bij
het verrichten van vrijwilligerswerk, op
de wijze waarop aanstellers
aansprakelijk zijn voor de schade
aangericht door hun aangestelden.
Ingeval de vrijwilliger bij het
verrichten van het vrijwilligerswerk de
organisatie of derden schade berokkent,
is hij enkel aansprakelijk voor zijn
bedrog en zijn zware schuld.
Voor lichte schuld is hij enkel
aansprakelijk als die bij hem eerder
gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt
de persoon die de organisatienota van
een feitelijke vereniging tekent als
vrijwilliger, onweerlegbaar vermoed geen
lid van die feitelijke vereniging te
zijn.
HOOFDSTUK V. - Verzekering
vrijwilligerswerk
Art. 6. § 1. De organisatie sluit een
verzekeringscontract tot dekking van de
risico's met betrekking tot
vrijwilligerswerk. Dat contract dekt ten
minste :
1° de burgerlijke aansprakelijkheid, met
uitzondering van de contractuele
aansprakelijkheid, van de organisatie;
2° de burgerlijke aansprakelijkheid, met
uitzondering van de contractuele
aansprakelijkheid, van de vrijwilligers
voor de schade die toegebracht is aan de
organisatie, aan de begunstigde, aan
andere vrijwilligers of aan derden
tijdens de uitvoering van het
vrijwilligerswerk of op weg naar en van
de activiteiten.
§ 2. De Koning kan, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, voor de categorieën van
vrijwilligers die Hij bepaalt, de
dekking van het verzekeringscontract
uitbreiden tot :
1° de lichamelijke schade die geleden is
door vrijwilligers bij ongevallen
tijdens de uitvoering van het
vrijwilligerswerk of op weg naar en van
de activiteiten;
2° de rechtsbijstand voor de onder § 1,
1°, 2° en § 2, 1°, genoemde risico's.
§ 3. De Koning stelt, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, de
minimumgarantievoorwaarden vast van de
verzekeringsovereenkomsten tot dekking
van het vrijwilligerswerk.
Art. 7. In artikel 6 van het koninklijk
besluit van 12 januari 1984 tot
vaststelling van de
minimumgarantievoorwaarden van de
verzekeringsovereenkomsten tot dekking
van de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid buiten overeenkomst
met betrekking tot het privé-leven,
gewijzigd bij het koninklijk besluit van
24 december 1992, worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1) het 1° wordt aangevuld als volgt : «
deze uitsluiting is evenmin van
toepassing op de door artikel 6, § 1,
van de wet van 3 juli 2005 betreffende
de rechten van vrijwilligers verplicht
gestelde verzekering voor
burgerrechtelijke aansprakelijkheid »;
2) het 4° wordt opgeheven.
Art. 8. Vrijwilligerswerk door een
vrijwilliger verricht voor een
organisatie wordt geacht verricht te
worden in het privé-leven zoals bedoeld
in het koninklijk besluit van 12 januari
1984 tot vaststelling van de
minimumgarantievoorwaarden van de
verzekeringsovereenkomsten tot dekking
van de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid buiten overeenkomst
met betrekking tot het privé-leven.
HOOFDSTUK
VI. - Arbeidsrecht
Art. 9. § 1. De Koning kan de
vrijwilligers die bij het uitvoeren van
hun vrijwilligerswerk arbeid verrichten
onder het gezag van een ander persoon,
omwille van de aard van hun werk geheel
of gedeeltelijk onttrekken aan het
toepassingsgebied van :
- de arbeidswet van 16 maart 1971;
- de wet van 4 januari 1974 betreffende
de feestdagen;
- de wet van 4 augustus 1996 betreffende
het welzijn van de werknemers bij de
uitvoering van hun werk;
- de wet van 8 april 1965 tot instelling
van de arbeidsreglementen;
- de wet van 5 december 1968 betreffende
de collectieve arbeidsovereenkomsten en
de paritaire comités;
- het koninklijk besluit nr. 5 van 23
oktober 1978 betreffende het bijhouden
van sociale documenten.
§ 2. Onder de voorwaarden die de Koning
bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad bepaalt, zijn de wet
van 30 april 1999 betreffende de
tewerkstelling van buitenlandse
werknemers en de uitvoeringsbesluiten
ervan niet van toepassing op het
vrijwilligerswerk.
HOOFDSTUK VII. - Vergoedingen voor
vrijwilligerswerk
Art. 10. Het onbezoldigd karakter van
het vrijwilligerswerk belet niet dat de
door de vrijwilliger voor de organisatie
gemaakte kosten door de organisatie
worden vergoed. De realiteit en de
omvang van deze kosten moeten niet
bewezen worden, voor zover het totaal
van de ontvangen vergoedingen niet meer
bedraagt dan 24,79 euro per dag, 600
euro per kwartaal en 991,57 euro per
jaar. De in de vorige zin bedoelde
bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex
103,14 (basis 1996 = 100) en variëren
zoals bepaald bij de wet van 2 augustus
1971 houdende inrichting van een stelsel
waarbij de wedden, lonen, pensioenen,
toelagen en tegemoetkomingen ten laste
van de openbare schatkist, sommige
sociale uitkeringen, de
bezoldigingsgrenzen waarmee rekening
dient gehouden bij de berekening van
sommige bijdragen van de sociale
zekerheid der arbeiders, alsmede de
verplichtingen op sociaal gebied
opgelegd aan de zelfstandigen, aan het
indexcijfer van de consumptieprijzen
worden gekoppeld.
Te rekenen van de inwerkingtreding van
deze wet wordt de hoogte van de
ontvangen vergoedingen na twee jaar
onderworpen aan een evaluatie. Deze
evaluatie wordt uitgevoerd volgens de
nadere regels die de Koning, bij een
besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, bepaalt, met dien
verstande dat ze wordt uitgevoerd in
samenwerking met de instellingen van
sociale zekerheid en dat vooraf het
advies van de Nationale Arbeidsraad en
de Hoge Raad voor de Vrijwilligers wordt
ingewonnen. Het evaluatieverslag wordt
onmiddellijk meegedeeld aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers en aan de
Senaat.
Bedraagt het totaal van de door de
vrijwilliger van de organisatie
ontvangen vergoedingen meer dan de in
het eerste lid bedoelde bedragen, dan
kunnen deze enkel als een terugbetaling
van door de vrijwilliger voor de
organisatie gemaakte kosten worden
beschouwd, indien de realiteit en het
bedrag van deze kosten kan aangetoond
worden aan de hand van bewijskrachtige
documenten. Het bedrag van de kosten mag
worden vastgesteld overeenkomstig het
koninklijk besluit van 26 maart 1965
houdende de algemene regeling van de
vergoedingen en toelagen van alle aard
toegekend aan het personeel van de
federale overheidsdiensten.
Art. 11. Een activiteit kan niet als
vrijwilligerswerk beschouwd worden
indien één van de of alle in artikel 10
bedoelde grenzen overschreden worden en
het in artikel 10, derde lid, bedoelde
bewijs niet kan geleverd worden. De
persoon die deze activiteit verricht kan
in dat geval niet als vrijwilliger
worden beschouwd.
Art. 12. De Koning kan, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, voor specifieke
categorieën van vrijwilligers, onder de
door Hem bepaalde voorwaarden, de in
artikel 10 bedoelde bedragen verhogen.
HOOFDSTUK VIII. - Uitkeringsgerechtigde
vrijwilligers
Afdeling I. - Werklozen
Art. 13. Een uitkeringsgerechtigde
werkloze kan met behoud van uitkeringen
vrijwilligerswerk uitoefenen, op
voorwaarde dat hij dit vooraf en
schriftelijk aangeeft bij het
werkloosheidsbureau van de Rijksdienst
voor arbeidsvoorziening.
De directeur van het werkloosheidsbureau
kan de uitoefening van de activiteit met
behoud van uitkeringen, verbieden, of
slechts aanvaarden binnen bepaalde
perken, indien hij aantoont :
1° dat deze activiteit niet de kenmerken
vertoont van vrijwilligerswerk als
bedoeld in deze wet;
2° dat de activiteit, gezien de aard, de
omvang en de frequentie ervan of gezien
het kader waarin zij wordt uitgeoefend,
niet of niet langer de kenmerken
vertoont van een activiteit die in het
verenigingsleven gewoonlijk door
vrijwilligers wordt verricht;
3° dat de beschikbaarheid voor de
arbeidsmarkt van de werkloze zou
verminderen.
Indien binnen twee weken na de ontvangst
van een volledige aangifte geen
beslissing genomen is, wordt de
uitoefening van de onbezoldigde
activiteit met behoud van uitkeringen,
geacht aanvaard te zijn. Een eventuele
beslissing houdende een verbod of een
beperking, genomen buiten deze termijn,
heeft slechts gevolgen voor de toekomst,
behalve indien de activiteit niet
onbezoldigd was.
De Koning bepaalt :
1° de nadere regels voor de
aangifteprocedure en voor de procedure
die toepasselijk is indien de directeur
de uitoefening van de activiteit met
behoud van uitkeringen verbiedt;
2° onder welke voorwaarden de
Rijksdienst voor arbeidsvoorziening
vrijstelling van aangifte van bepaalde
activiteiten kan verlenen, inzonderheid
indien in het algemeen kan worden
vastgesteld dat de betreffende
activiteiten beantwoorden aan de
definitie van vrijwilligerswerk;
3° onder welke voorwaarden de
afwezigheid van een voorafgaande
aangifte niet leidt tot het verlies van
uitkeringen.
Afdeling II. - Bruggepensioneerden
Art. 14. De in artikel 13 bedoelde
regeling geldt eveneens voor de
bruggepensioneerden en de halftijds
bruggepensioneerden, behoudens de
afwijkingen die door de Koning
vastgesteld zijn op grond van hun
specifiek statuut.
Afdeling III. - Arbeidsongeschikten
Art. 15. In artikel 100, § 1, van de wet
betreffende de verplichte verzekering
voor geneeskundige verzorgingen en
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
1994, wordt tussen het eerste en het
tweede lid het volgende lid ingevoegd :
« Vrijwilligerswerk in de zin van de wet
van 3 juli 2005 betreffende de rechten
van vrijwilligers wordt niet beschouwd
als werkzaamheid, voor zover de
adviserende geneesheer vaststelt dat
deze activiteiten verenigbaar zijn met
de algemene gezondheidstoestand van de
betrokkene. »
Afdeling IV. - Leefloon
Art. 16. Onder de voorwaarden en volgens
de nadere regels die de Koning bij een
besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad bepaalt, zijn het
verrichten van vrijwilligerswerk en het
ontvangen van een in artikel 10 bedoelde
vergoeding, verenigbaar met het recht op
het leefloon.
Afdeling V. - Tegemoetkoming voor hulp
aan bejaarden
Art. 17. Onder de voorwaarden en volgens
de nadere regels die de Koning bij een
besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad bepaalt, zijn het
verrichten van vrijwilligerswerk en het
ontvangen van een in artikel 10 bedoelde
vergoeding, verenigbaar met het recht op
de tegemoetkoming voor hulp aan
bejaarden.
Afdeling VI. - Gewaarborgd inkomen voor
bejaarden
Art. 18. Artikel 4, § 2, van de wet van
1 april 1969 tot instelling van een
gewaarborgd inkomen voor bejaarden,
zoals gewijzigd bij het koninklijk
besluit van 22 december 1969, bij de wet
van 29 december 1990 en bij de wet van
20 juli 1991, wordt aangevuld als volgt
:
« 9° de vergoedingen die ontvangen zijn
in het kader van het vrijwilligerswerk,
voor over ze de in hoofdstuk VII van de
wet van 3 juli 2005 betreffende de
rechten van vrijwilligers bedoelde
bedragen niet overschrijden. ».
Afdeling VII. - Gezinsbijslagen
Art. 19. In artikel 62 van de bij het
koninklijk besluit van 19 december 1939
samengeordende wetten betreffende de
kinderbijslag voor loonarbeiders,
vervangen bij de wet van 29 april 1996,
wordt een § 6 ingevoegd, luidende :
« § 6. Voor de toepassing van deze
wetten wordt vrijwilligerswerk in de zin
van de wet van 3 juli 2005 betreffende
de rechten van vrijwilligers niet
beschouwd als een winstgevende
activiteit. De vergoedingen in de zin
van artikel 10 van voormelde wet worden
niet beschouwd als een inkomen, een
winst, een brutoloon of een sociale
uitkering, voorzover het
vrijwilligerswerk zijn onbezoldigd
karakter niet verliest overeenkomstig
hetzelfde artikel van dezelfde wet. ».
Art. 20. In artikel 1 van de wet van 20
juli 1971 tot instelling van een
gewaarborgde gezinsbijslag, zoals
gewijzigd bij de wet van 8 augustus
1980, bij het koninklijk besluit nr. 242
van 31 december 1983 en bij de wetten
van 20 juli 1991, 29 april 1996, 22
februari 1998, 25 januari 1999, 12
augustus 2000 en 24 december 2002,
wordt, tussen het eerste en het tweede
lid, het volgende lid ingevoegd :
« Wanneer het kind een vergoeding geniet
als bedoeld in de wet van 3 juli 2005
betreffende de rechten van
vrijwilligers, is dit geen beletsel voor
de toekenning van gezinsbijslag. »
Art. 21. Onder de voorwaarden en volgens
de nadere regels die de Koning bij een
besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad bepaalt, zijn het
verrichten van vrijwilligerswerk en het
ontvangen van een in artikel 10 bedoelde
vergoeding, verenigbaar met het recht op
de gewaarborgde gezinsbijslag.
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen
Art. 22. § 1. De Koning kan, bij een
besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, aan organisaties die zowel
werken met vrijwilligers als met
personen die geen vrijwilliger zijn, met
betrekking tot de bepalingen van deze
wet bijkomende voorwaarden opleggen.
In de in het vorige lid bedoelde
gevallen kan de Koning, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, het werken met
vrijwilligers zoals bedoeld in deze wet
afhankelijk maken van een voorafgaande
machtiging van de minister die bevoegd
is voor Sociale zaken.
§ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, de wijze waarop nagegaan
wordt of de activiteiten die door een
vrijwilliger uitgeoefend worden,
beantwoorden aan de bepalingen van deze
wet en van de uitvoeringsbesluiten
ervan.
§ 3. De Koning wijst de ambtenaren aan
die ermee belast worden toe te zien op
de naleving van de bepalingen van deze
wet en van de uitvoeringsbesluiten
ervan.
Art. 23. De Koning kan de bepalingen die
door artikel 7 worden gewijzigd, opnieuw
wijzigen, opheffen of aanvullen.
Art. 24. § 1. Artikel 9 van deze wet
treedt in werking op 1 juli 2006.
§ 2. Behoudens andersluidende bepalingen
treedt deze wet in werking de eerste dag
van de zesde maand na die waarin ze
bekendgemaakt is in het Belgisch
Staatsblad.
§ 3. De organisaties die op de dag van
de inwerkingtreding van deze wet
vrijwilligers in dienst hebben, mogen
van hun diensten gebruik blijven maken,
voorzover zij binnen een termijn van zes
maanden na de inwerkingtreding van deze
wet aan de verschillende bepalingen
ervan voldoen.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij
met 's Lands zegel zal worden bekleed en
door het Belgisch Staatsblad zal worden
bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 3 juli 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
De Minister van Werk,
Mevr F. VANDEN BOSSCHE
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX |