|
Mensen van goede wil: het leescomité.
Vele groepen onderschatten het belang van een
doordachte stukkeuze. Nochtans begint daar alles
mee.
Het is niet meer dan natuurlijk dat het ene stuk
bij u persoonlijk beter aanslaat dan bij iemand
anders van de groep en discussies kunnen
oeverloos worden. En dan heb ik het nog alleen
maar over het leescomité binnen de eigen groep.
Toch zijn er een aantal min of meer objectieve
criteria die u kunnen helpen bij het doelbewust
kiezen van een stuk. Ik probeer hier een en
ander op een rijtje te zetten en te duiden. Maar
ook hierover kan oeverloos gepalaver ontstaan.
Dit artikel wil alleen maar een soort
handleiding aanreiken aan “de mensen van goede
wil”
Om te beginnen kan een leescomité zelf een soort
invulformulier ontwerpen. Dit artikel is
ontstaan uit het idee om een invulformulier te
ontwerpen. Maar iedere groep moet zijn eigen
accenten kunnen leggen en daarom is het
ondoenbaar om zo n' formulier te ontwerpen dat
voor iedereen dienstig is. Het is niet
onbelangrijk om dat formulier zelf te ontwerpen
omdat alleen u de gevoeligheden, praktische
problemen en aandachtspunten van uw groep kent.
Om te beginnen kunt u wat hier volgt gebruiken
maar vul zelf aan of negeer wat voor u niet ter
zake doet.
Verder op de site staan
een aantal fiches die ik
gedigitaliseerd heb. Indien u dat wenst kan ik ook
uw fiche daar tijdelijk plaats geven. Bovendien
kunnen anderen daar via mij hun ervaring toevoegen.
Op die manier kan uw leescomité vergaderen met
een zo groot mogelijke waaier aan ideeën en
opmerkingen waar ze al dan niet rekening mee
houden.
Om te beginnen ons invullijstje starten met je
eigen naam . Of bijnaam maar dan wel altijd
dezelfde gebruiken. Ieder mens vormt een opinie
vanuit zijn eigen achtergrond en ideeën. Uw
mening is net als die van mij en hem/haar
gekleurd, gewassen, gebleekt en misschien wel
eens mishandeld in de droogkast. Als je
regelmatig uw mening over een stuk geeft gaan
anderen onbewust een soort patroon ontdekken en
gaat jouw mening een referentiepunt worden
waarbij de lezers naar eigen willekeur een paar
punten zullen toevoegen of weg laten. Een mooi
voorbeeld was de vroegere filmrecensent bij BRT
Jo Ropke. Zijn objectieve meetbare kennis van
het maken van een film werd wel eens in vraag
gesteld maar doordat hij steeds oprecht en
vanuit zijn eigen aanvoelen een mening gaf
reikte hij iedereen een referentiepunt aan. En
dat referentiepunt was uiteindelijk belangrijker
dan zijn mening.
Ten tweede de naam van de auteur. Alleen al om
praktische redenen dienen we die naam te kennen.
Maar ook hier geld het principe van het
referentiekader. De vertaler of bewerker : Als
een stuk vertaald is of bewerkt dienen we dat
ook te weten al was het alleen nog maar voor het
verdelen van de rechten door SABAM. Maar soms
wordt een stuk wel eens een kleurtje meegegeven
door de bewerker. Als een stuk persoonlijk
vertaald is door de schrijver of door een
vertaalbureau kan een merkelijk verschil geven.
Als leescomité ga je daar waarschijnlijk niet
veel belang aan hechten maar als onze secretaris
de SABAM formulieren moet invullen gaat hij daar
naar vragen. En ook voor de regisseur kan het
belangrijk zijn.
De uitgeverij: Nog zo iets waar je als
leescomité niet direct een boodschap aan hebt
maar de secretaris zal je dankbaar zijn als je
het eventjes noteert en ook voor de kassier kan
het belangrijke informatie zijn omdat er wel
eens grote prijsverschillen kunnen zijn.
Het genre: De bepaling van het genre van een
stuk is zowat het delicaatste dat er bestaat.
Laat het aan de schrijver over om te bepalen of
zijn stuk een komedie is een romantische komedie
of een klucht. Hou er wel rekening mee dat een
schrijver zijn stuk het liefst in een populair
schuifje ziet liggen. U kunt het natuurlijk
oneens zijn met de genrebepaling en dat ook in
de besloten kring van uw leescomité naar voor
brengen, maar als u dat publiekelijk gaat
verkondigen zorg er dan wel voor dat u eerst
stevig in uw schoenen staat.
De bezetting van een stuk is een van de meest
objectieve criteria en toch moet je daar ook nog
voorzichtig mee zijn. Soms is het belang van de
verschillende rollen mooi verdeeld en heb je
allemaal “dragende” rollen maar soms heb je
enkele rollen die niet echt dragende rollen zijn
zonder dat ze daarom als figuranten kunnen
bestempeld worden. Vooral in stukken met een
grote bezetting gaat u daar mee te maken
krijgen. In vele gevallen zijn deze bijrollen
mooie opstapjes voor een nieuw talent binnen uw
groep.
Hoe lang duurt het stuk? In de meeste gevallen
zal de uitgever je wel vertellen of een stuk al
dan niet avondvullend is of hoe lang het stuk
ongeveer duurt. Twijfel je, neem dan de tijd op
die je nodig hebt om het stuk rustig te lezen.
Het aantal decors : Dat is meestal het
eenvoudigste onderdeel. Maar soms zijn er
decorwisselingen en dan moet je toch eens
afvragen of het allemaal doenbaar is en het
hoofd van de decorploeg bij de lezing betrekken.
Ook de term “zetstukken” noopt tot enige
voorzichtigheid.
Jaar van uitgifte of/en creatie : voor nieuwe
stukken is dat meestal niet zo belangrijk maar
als je met stukken bezig bent die een paar
decennia geleden geschreven zijn kan het wel
belangrijk zijn dat je als lezer rekening houdt
met de tijdsgeest waarin het werk geschreven
werd. Het zal je waarschijnlijk niet dikwijls
overkomen maar als je bijvoorbeeld een stuk
onder handen krijgt dat op het eind van de jaren
dertig door een Duitse jood werd geschreven zul
je daar toch wel rekening mee moeten houden of
op zijn minst bewust van zijn.
En dan komen we aan “ het plot”: Het plot van
een stuk naar voor brengen op een vergadering is
zowat het moeilijkste dat er bestaat. Ik raad
iedereen aan om de verteller van een plot niet
te onderbreken en je vragen te noteren om na
zijn uiteenzetting te stellen. Bovendien besteed
ik hier een beetje aandacht aan een paar punten
die jou als verteller kunnen helpen om met een
soort leidraad bij de hand je plot te vertellen.
De “voorzitter” kan hierbij iedereen een handje
helpen door een paar gerichte vragen te stellen
waarvan de antwoorden een vrij goed beeld kunnen
scheppen van het stuk. Laat ons beginnen met de
vraag “ wanneer speelt het stuk ” Het antwoord
is meestal eenvoudig. Het stuk speelt zich nu
af, 500 jaar geleden, of is een sprookje dat
niet aan een tijd gebonden is. Wie speelt het
stuk: Meestal staat vooraan in de brochure wel
een lijstje met de personages en een korte
beschrijving. Ga tijdens het lezen na of je
aanvullende info kunt geven. Waar speelt het
stuk : Dit heeft meestal met het decor te maken.
Maar het kan ook van belang zijn dat het stuk
bvb in een bepaald land speelt. Sommige
gewoonten en tradities kennen wij in Vlaanderen
niet en bestaan alleen in het land waar het stuk
speelt. Is het bvb mogelijk om het stuk te
“verplaatsen” naar onze eigen leefomgeving.
(dorp/stad) Wat gebeurt er in het stuk: Probeer
voor jezelf een lijstje te maken van de
gebeurtenissen in het stuk die tot de
afwikkeling leiden. Waarom gebeurt er wat er
gebeurt: Het antwoord op deze vraag is niet
altijd evident omdat er in een stuks steeds
meerdere gebeurtenissen plaats hebben en het
niet altijd duidelijk is wat de belangrijkste
gebeurtenis is. Alles wat in een stuk gebeurt
leidt tot een enkel gevolg. De rede waarom de
schrijver achter zijn wit vel papier is gaan
zitten. Lig er niet van wakker maar als het
antwoord evident is voor jou noteer het dan.
Lees in dat verband ook eens mijn artikel “
basisstructuur van een dramatisch werk”
De antwoorden op bovenstaande vragen kunnen u
helpen om doeltreffend een plot in een paar
zinnen weer te geven.
Taal: Het is haast
vanzelfsprekend dat wij hier in Vlaanderen in
het Nederlands spelen. Maar neem toch eens in
overweging of de gebruikte taal op de scène
perfect AN dient te zijn of kan het stuk in de
streektaal gebracht worden.
Leest u het stuk vlot en zijn er veel wisselende
scènes? Een stuk over de behandeling van een
psychiatrische patiënt dat opgevoerd wordt door
twee psychiaters aan één tafel zal u
waarschijnlijk niet echt vlot lezen en zal
weinig wisselende scènes bevatten. Maar!
Hetzelfde stuk in dezelfde enscenering waarbij
bvb publiek betrokken wordt zou wel eens voor
spetterend vuurwerk kunnen zorgen. Vindt u de
tekst, het onderwerp en de manier waarop het
gebracht wordt spitsvondig, vernieuwend,
geestig? Of wordt het ene cliché boven op het
andere gestapeld?
Wat vindt u van het verhaal? Gaat het verhaal
over een u bekend thema ? Of kunt u niet zo
onmiddellijk een centraal thema vinden? Of is
het thema wel duidelijk maar hebt u er geen
affectie mee? Is de structuur van het verhaal u
dadelijk duidelijk? Heeft de schrijver een
netjes geordend begin midden en einde aan zijn
verhaal? Of gooit hij alles doelbewust door
elkaar?
Wat denkt u van de doelgroep waarvoor het
geschreven is? Is het een stuk waar iedereen kan
van genieten? Of is het geschreven voor die
derde psychiater? Neemt de schrijver een
politiek standpunt in? En dan hebben we nog de
doelgroep van de acteurs . Is het stuk
geschreven om door jongeren opgevoerd te worden?
Heeft de auteur een groep van uitsluitend holebi
voor ogen gehad? Of is het stuk net heel
geschikt om door gepensioneerden gebracht te
worden?
Vervolgens gaan we ook eens denken aan de noeste
hanteerder van het zaagske, hamerke en beitelke.
Is het decor traditioneel opgebouwd? Waar staat
het decor? Misschien staat het wel in het midden
van de zaal? Hebben ze meer belichting nodig? Is
de kostumering belangrijk? Moet er misschien een
speciaal object voorzien worden? Allemaal vragen
en antwoorden die thuis horen in het vakje
“Techniek”
Als u alle antwoorden weet op voorgaande vragen
gaat u alvast kunnen bepalen of het stuk
geschikt is voor jouw vereniging. Is het
geschikt voor de eerstvolgende productie of
misschien voor later? En dan de vraag die alle
andere in de schaduw stelt wat is uw
persoonlijke algemene indruk van het stuk nadat
u alle voorafgaande vragen hebt beantwoord. En
hier is uiterste voorzichtigheid geboden. Houdt uw
persoonlijke algemene indruk voor diegene die er
om vragen. Want om te beginnen houdt u er best
rekening mee dat u een paar antwoorden op
voorgaande vragen verkeerd hebt beantwoord. En
ten tweede zal waarschijnlijk alleen uw
plaatselijke vriendenkring nederig het hoofd
buigen en drie maal uw naam aanroepen als u iets
verkondigt.
Al het voorgaande wil natuurlijk niet zeggen dat
u geen mening mag hebben en u mag natuurlijk uw
mening verkondigen. Als u dus uw mening voor het
grote publiek geeft, denk dan hier aan.
Niemand is perfect behalve diegene die “iemand
met een mening” aanvalt.
Al het voorgaande brengt ons bij volgend
vragenlijstje.
Naam:
Titel:
Auteur:
Vertaler/bewerker:
Uitgeverij:
Datum van uitgifte:
Genre:
Bezetting:
Lengte:
Decor:
Het plot:
Wanneer?
Wie?
Waar?
Wat gebeurt er?
Waarom gebeurt er wat er gebeurt?
Taalgebruik?
Hoe leest het stuk?
Wat denkt u van het verhaal?
Thema
Structuur
Doelgroep publiek?
Doelgroep acteurs?
Decor
Licht
Geluid
Aankleding
Toebehoren
Kostumering:
Heb ik dit stuk graag gelezen?
Is het stuk geschikt voor de doelstellingen van
onze groep?
Wil ik dit stuk (door mijn groep) gespeeld zien?
Wat ik hierboven schrijf lijkt zo eenvoudig en
zo vanzelfsprekend en toch heb ik in mijn 30
jarige praktijk zelden een degelijk gefundeerde
keuze van een stuk meegemaakt. Ik ben er mij van
bewust dat ik niet volledig ben en dat het
allemaal veel beter kan verwoord worden. Maar
als we samen met bovenstaande al eens beginnen
hebben we tenminste een startpunt van waaruit we
kunnen groeien.
Nog veel plezier aan alle lezers ; “Mensen van
goede wil”
Uw dienaar Oberon
I van Mechelen |