HOME

FORUM

 

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaandelijk schriftelijke toestemming van de uitgever: Raymond Goovaerts - Elektriciteitstraat. 31/401 - 2800 Mechelen - 015/55.72.59 raymond.goovaerts@telenet.be en/of de auteurs.

De totale exclusiviteitrechten op het levensverhaal van Ela en haar familie rusten eveneens bij de uitgever


WRAKHOUT

Docudrama van 65' met mogelijke pauze

naar een waargebeurde verhaal

van Raymond Goovaerts en Hilda Vleugels

Als basis voor dit docudrama diende het verhaal van een bestaande vluchtelinge "Ela". Van haar verhaal schreef ik het boek “wrakhout” . Het boek word door de auteur ten bate van Ela uitgegeven. U kunt het op het adres van de site bestellen aan €10 + portkosten.

Voor 4 dames en 1 heer (minimumbezetting; meer kan zonder problemen)

Personages
(Ela en madame Hilda zijn vaste rollen, de andere worden met herkenbaar detail door 1 heer en 2 dames gespeeld.)

Ela Berisha: Kosovaarse jonge vrouw

Batusha Tafa: de man van Ela

Lindita: dochtertje van Ela, bij begin 4 jaar (wordt verpersoonlijkt door reiszak)

Ilir: zoontje van Ela, bij begin 4 maanden (wordt verpersoonlijkt door reiszak)

Idriz: deserteur

Stanislou: buschauffeur

Kapitein: van rubberboot

Drita: Italiaanse burgervrouw van Kosovaarse afkomst

Liran: man van Drita

Zuster Octavia: Moeder Overste

Minister

Volksvrouw

La mama: Kosovaarse- Italiaanse vrouw

Rangeerder

Matish : Belgisch- Kosovaarse man

Locket bediende (dame)

Advocate

Vitoria: vrouw van Matish

Sociaal assistente Belsele

Sociaal assistente Sint-Nicolaas

Oogarts (vrouw)

Oberon: hulpgroep

Alexander: Albanees

Politieagente

Kosovaarse man

Schoonmoeder: van Ela’s broer

Schoonzus: van Ela’s broer

Decor : zetstukken


(We horen de golven op het strand ruisen. Dan in de verte naderende motorboten. Plots politiesirenes, huilende motoren en geweerschoten. Motorboten varen weg, we horen iemand door het water ploeteren en een huilende baby. Ela doornat op de scène, troost haar kinderen ( = reiszakken).)

ELA: Kom maar dicht bij mama, Lindita. Dan rillen we ons samen warm. Niet huilen, Ilir. We leven nog. We zijn in Italië! Morgen vind ik werk op de fabriek. Dan wonen we in een huis. Geen vluchtelingenkamp meer. Een echt huis! Misschien wel met een tuintje. Weet je nog wat Idriz over Italië vertelde? Er groeien palmbomen en de mensen zijn er vriendelijk. Binnenkort kan jij naar school, Lindita. De vrienden van Idriz vinden ons wel. Ik was ook bang toen de kapitein riep: “Politie! Politie!” en alles en iedereen over boord kiepte. En dan die geweerschoten! Maar we zijn er. Probeer te slapen. Ik houd je wel warm. (zingt wiegelied)

DRITA: (op met een paar schoenen in de hand, zingt wiegeliedje mee) Mooi liedje. Ik ben Drita. Ik kom uit Drenica. Mijn man en ik zijn vorig jaar gevlucht. Wie ben jij en waar heb jij al die tijd gezeten?

ELA: Ela… Ik ben Ela… En dit is Ilir en dat is Lindita... Waar ik gezeten heb?… In Albanië. Maar eerst in Gjacove. Bij mijn schoonouders. Toen alle dorpen gebombardeerd werden, zijn we naar Albanië gevlucht. Mijn schoonvader bleef in Kosovo. Om onze boerderijen te beschermen. Ik was vier maanden zwanger. Lindita was toen vier jaar. We vonden onderkomen in het vluchtelingenkamp van Tirana. Zo’n kamp met duizend krotten uit verpakkingstriplex, golfplaten en karton. We bleven er niet lang. We vonden werk bij een tomatenkweker. We mochten er wonen kregen er eten. Lindita en ik plukten de godganse dag tomaten. Nietwaar, meisje? Mijn man ging met zijn vrienden sporten. Op een dag zei hij: “Ik ga terug naar Kosovo. Er gebeuren daar verschrikkelijke dingen. Ik wil helpen vechten.” Hij zou terug zijn voor de geboorte van Ilir. Maar hij is niet terug gekomen.

BATUSHA: Natuurlijk ging ik “sporten”. Tomaten plukken is vrouwenwerk. Ik leerde er met wapens omgaan. Ik had mijn gezin in veiligheid gebracht maar wilde terug. Ik laat mijn land niet zo maar afpakken! En dan was er nog de kwestie van mijn vader. Die vent heeft me altijd al ellende berokkend. Eerst was er de ereschuld tegenover de familie van mijn moeder. Daardoor moest ik heel mijn jeugd in Italië moest werken. En plots had hij een bruid voor mij. Zo maar! Zonder vragen! Hij kiende alles in zijn voordeel uit. Hij had al het land en alle eigendommen van Ela’s blinde vader afgetroggeld. In ruil daarvoor zou hij levenslang voor Ela’s blinde vader en blinde broer zorgen. En ik mocht de dochter hebben. Dat hoorde bij het contract. Ela zal nu wel in de rats zitten nu ik terug naar Kosovo gegaan ben. Ik hoop maar dat de tomatenboerin doet waarvoor ik haar betaald heb. Ela heeft een kraambed en een verpleegster nodig. (Batusha af. Donker. Stilte. Geweerschoten)

DRITA: Wij wonen bij Luigi, een wijnboer. Mijn man, mijn dochter Serina en ik verzorgen er de druiven. Wij mogen blijven omdat hij een oogje heeft op Serina. Hij noemt haar “zijn Gina”, “zijn Gina Lollobrigida”. Hij gaat ons Italiaanse papieren bezorgen. Gisteravond zei hij dat er vanmorgen weer een vracht verwacht werd. We moeten ze opvissen en bij hem brengen. Wat hij er dan mee doet, weet ik niet; ik wil het ook niet weten. Als de sirenes loeien en er geschoten wordt, moet ik gaan jutten. “Dat is vrouwenwerk” zegt mijn man. Vier hebben het niet overleefd. Een ervan droeg nieuwe schoenen. Die komen van pas. Nietwaar, bazeke? Hoe heet hij ook weer?

ELA: Ilir. Hij is geboren in Albanië. De mama van de tomatenkweker en een verpleegster hebben me geholpen. Als zogende moeder kon ik geen twaalf uur per dag meer werken. Als ik tomaten plukte bond ik Ilir op mijn rug. Toen zei de tomatenboer dat hij dat mondje meer de kost niet kon geven. Waar moest ik heen? Terug naar Kosovo kon niet. Mijn schoonvader had er al zijn eigendommen verkocht.

DRITA: Je hebt er goed aan gedaan om naar Italië te komen. Hier ben je veilig. . (merkt gouden kruisje om Ela’s hals) Oh! Wat een mooi kruisje. Ben je christen? (Ela knikt) Dat zal mijnheer Luigi graag horen. Kom, jullie mogen bij ons logeren. (allen af)

 

ILIRAN: (op) Mijn vrouw geeft hen eten en droge kleren. Ze is te naïef. Ze snapt niet dat deze vrouw ons schade kan berokkenen. Een mooie vrouw, achteraan in de twintig. Als ze gewassen en gekamd is, is het een schoonheid. Mijnheer Luigi zal er zijn handen niet kunnen af houden. En dan heeft onze dochter afgedaan en kunnen wij naar onze papieren fluiten. Dat kunnen we niet riskeren. Als ze wat opgeknapt zijn, moeten ze maar in de paardenstal slapen. Morgen breng ik hen naar Zuster Octavia.. Die vindt voor hen wel een oplossing. (af)

VOLKSVROUW: (op) Heb je ’t al gehoord over die schoonvader van Ela. Nu heeft die vent toch wel al zijn eigendommen in Kosovo verkocht, zeker! Alles! Al zijn landerijen plus de gronden die hij van Elas vader “gekocht” heeft. Volgens de overeenkomst moest hij levenslang voor die mensen zorgen. Maar weet je wat hij gedaan heeft? Hij heeft Ela’s ouders gedropt bij de schoonfamilie van haar blinde broer. En dat is nog niet alles. Nu is hij er met al het geld vandoor. Gevlucht naar Belgrado. Maar niet alleen, hè! Nee, nee! Hij is er van onder gemuisd met een Servische hoer! Schandalig! (af)

ELA: Naar Italië komen was misschien niet het beste idee. Maar ik zag geen andere oplossing meer. Ik had inmiddels gemerkt dat Lindita de familieziekte had geërfd. Als ze iets kleins moest bekijken, hield ze het vlak voor haar ogen. Ze had een arts nodig. Maar waar zou ik het geld halen? En ze moest naar school. In Albanië zijn bijna geen scholen en Ilir zou er waarschijnlijk opgroeien tot struikrover. Toen kwam Idriz. Wel een deserteur, maar hij had de een oplossing. “Ga naar Italië” zei hij, “daar is het vredig, daar zijn goede scholen, goede oogartsen.” Dat laatste gaf de doorslag. De kapitein van Batuscha was teruggekomen naar Albanië. Hij zei dat Batusha nog leefde toen ze overvallen werden. Wat daarna met hem gebeurd was, wist hij niet. De kapitein was een eerlijke man. Hij hielp me mijn Servische geld om te wisselen in dollars. Ik moest hem daarvoor wel iets betalen. Maar het was de beste investering die ik ooit gedaan heb. Ik bereidde de reis grondig voor. Voor Ilir had ik hoestsiroop gekocht. Voor Lindita had ik een gordel gemaakt waaraan ze zich kon vast houden. Want ik moest Ilir én een valies dragen. Idriz regelde de busreis naar de haven. Ik moest er een flink pak geld voor ophoesten. De woekeraar! Hij gebood me zelfs al mijn geld af te geven. Hij zou het veilig bewaren. Maar dat vertikte ik. Het is nu wel niet de gewoonte dat een Kosovaarse vrouw tegenover een man gaat dwarsliggen, maar dat ging me te ver. Ik permitteerde en zeurde en jammerde en… de buschauffeur had het gehoord en kwam ter hulp.

STANISLOU: (op) Ik stond op mijn passagiers te wachten en hoorde geroep en gejammer. Ik ging luisteren en merkte dat Idriz iemand aan ’t afzetten was. Nu ben ik niet vies van zaakjes met een reukje aan, maar een vrouw afzetten wiens man naar het “grote bataljon” is, is niet mijn ding. Ik kende Idriz en zijn streken.  Hij betaalt mij het driedubbele van een gewone rit en vraagt aan zijn klanten het tienvoudige. Ze trappen er allemaal in omdat hij ze bang gemaakt heeft. En ik zwijg omdat ik goed betaald word. Maar wat hij hier deed… “Wel Idriz” zei ik, “moet dat vrouwtje je nog geld?” Dat had hij niet verwacht. Hij stamelde wat en blies de aftocht. Tijdens de rit naar de haven heb ik dat madammeke en haar kindjes de beste plaatsen gegeven. Ze is me dankbaar geweest. Van haar dank koop ik straks twee nieuwe autobanden. En dan heb ik nog dat paspoort dat ik rijkelijk kan verzilveren…

ELA: Tegen de avond kwamen we aan de zee. Ik had de zee nog nooit gezien. In Kosovo is er alleen een meer. Lindita dacht dat ze de overkant niet kon zien vanwege haar slechte ogen. Ik maakte haar niet wijzer. We stonden hoog boven het strand. De chauffeur, zei dat het een uitzonderlijk mooi uitzicht was. Ik vond het helemaal niet mooi. En waar was de boot? We mochten terug in de autobus. Urenlang kronkelden we langs haarspeldbochten naar beneden. Het was bijna middernacht toen we beneden aan de zee stonden. We waren eerst, zei Stanislou. Er zouden nog bussen komen. En de kapitein natuurlijk ook nog. “Heb je je paspoorten?” vroeg Stanislou. Natuurlijk had ik onze paspoorten. Batusha had voor hij vertrok al onze papieren aan mij gegeven. Ook zijn paspoort. Ik liet ze zien. “Zijn ze allemaal echt?” vroeg hij. Natuurlijk waren ze echt. Hij gaf alles terug behalve Batusha’s paspoort. “Als Batusha jullie wil volgen, heeft hij dat nodig.” zei hij, “Ik bezorg het hem wel.” Ik vertrouwde het niet helemaal, maar hij had tijdens de busreis goed voor ons gezorgd. Daarna haalde hij een rol plakband uit zijn busje.

STANISLOU: Zoals de meeste vluchtelingen had ze haar geld in de zoom van haar rok genaaid. Stomme griet! Wie geld wil vinden heeft daar oog voor. Ik haalde een rol plakband en gebood haar het geld op haar lijf te plakken, op zoveel mogelijk verschillende plaatsen. Dat was een tegenprestatie, voor het paspoort. Ik vertrok met gierende banden. Ik wilde niet denken aan wat die vrouw en haar kinderen te wachten stond. (af)

ELA: Lindita hielp giechelend met het plakband. Op haar buik plakte ik ook een deel. We trokken onze warme kleren aan. Tegen de morgen kwamen er nog twee families met een autobusje toe. Hun chauffeur zei dat de kapitein pas de volgende avond zou komen. ‘s Anderendaags, in de late namiddag, arriveerde dan eindelijk de kapitein met twee handlangers. De kapitein droeg een revolver. De andere twee waren gewapend met revolver en mes. Ze verstonden geen Albanees, ze spraken Italiaans.

DE KAPITEIN: (op) Weer een troep onnozele schapen. Ze worden begot onnozeler met de dag. Eerst moeten ze allemaal hun paspoorten afgeven. De meeste daarvan zijn echt en brengen goed op. En dan is het payday: voor de benzine, douanegeld, bagagegeld en voor het eten. De sukkels! Voor wat ze daarvoor betalen vaar ik een heel jaar over en weer. Voor kinderen betalen ze meer, want dat zijn extra risico’s. Estefan! Haal de centen en de juwelen op. Emilio! Doe die nieuwe parka van dat madammeke uit en geef haar een deken van het rode kruis. En gooi de bagage al maar op een hoop. Ze mogen allemaal maar één valies meenemen, hè! En geen te grote. Allee schaapjes! Allemaal in rijen van vier. “En marche”! Naar de boot! (af)

ELA: De kapitein liet ons in een rubberboot stappen. We zaten opeen gepakt als sardienen. Zijn jongste zoon – hij was amper 17 - bestuurde onze boot. De kapitein zelf volgde in een kleiner bootje. Het duurde uren voor we beseften dat we in die rubberboot de overtocht zouden maken. Ik mocht in het midden zitten omdat hij mijn warme jas had ingepikt en omdat ik een baby bij had. Lindita kon aan mijn voeten zitten. Toen het donker was begon de boot sneller te varen. Tegen de morgen minderden we vaart. Het was schemerig en mistig. Plots waren er politiesirenes, huilende motoren, luidsprekers en geweerschoten. De stuurman begon te roepen en te tieren, rukte zeildoeken en dekens weg en wierp alle bagage overboord. Daarna duwde hij zonder boe of bah alle passagiers over boord. Ik probeerde net Ilir vast te binden toen hij Lindita te pakken kreeg. Met mijn ene hand hield ik Ilir vast en met de andere graaide ik naar Lindita. Ik kreeg haar schouder te pakken. Daardoor vielen we alle drie tegelijk uit de boot. Wanhopig spartelde ik in het rond met Lindita aan de ene hand en Ilir stevig met de andere hand tegen me aangedrukt. Ik had nooit leren zwemmen. Godzijdank voelde ik plots grond. Lindita spartelde, ik huilde en ging nog een paar keer kopje onder, maar ik bleef ploeteren en stilaan werd de zee minder diep. ( knielt, maakt kruisteken, bidt)
 
ZUSTER OCTAVIA: (op) Het is goed om in tijden van nood voor Onze Heer te bidden. Wie in Hem gelooft, zal niets ontberen.
ELA: Ik geloof in Zijn goedheid, eerwaarde zuster.
 
ZUSTER OCTAVIA: Liran heeft gevraagd of ik voor jullie een oplossing kon vinden. Maar zo eenvoudig is dat niet. Een man of een vrouw aan een job helpen, zou nog lukken. Maar werk vinden voor een alleenstaande moeder met een baby en een kleuter, is onmogelijk. Wie zorgt er voor hen als jij gaat werken? Trouwens de Conventie van Genève telt niet voor jou.
 
ADVOCATE: (op) Een vluchteling is elke persoon die zich buiten het land waarvan hij de nationaliteit heeft, of indien hij geen nationaliteit heeft, buiten zijn land van herkomst bevindt, en die de bescherming van dat land niet kan of wil inroepen omdat hij vreest voor vervolging omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep, of zijn politieke overtuiging. (af)

ELA: Ik begrijp het niet.

ZUSTER OCTAVIA: Troost je. Iedereen zwaait met de Conventie van Genève, maar niemand begrijpt wat het inhoudt. Hoe dan ook, jij zou beter terug naar Kosovo gaan. Ik kan je niet helpen. God zij met u, mijn kind.

ELA: Ik heb dollars, zuster!

ZUSTER OCTAVIA: Dat verandert de zaak natuurlijk. Kijk. In het Noorden, boven Frankrijk en Duitsland, ligt een klein landje, België genaamd. Het is een rijk land. Alle arme mensen, ook vrouwen, krijgen er geld. Dat wil zeggen: ook al vind je geen werk, krijgt je centen om te overleven. Omdat bij de bombardementen Belgische vliegtuigen betrokken waren, heeft een Belgische minister gezegd dat alle Kosovaarse vluchtelingen welkom zijn.

 MINISTER: (op) Sorry dat ik even onderbreek. Voor alle duidelijkheid wil ik vermelden dat toen beslist is, dat 1000 - let wel “duizend”! - vluchtelingen zich mochten melden bij de ambassade en dat we dan zouden bepalen wie in aanmerking kwam om tijdens de oorlogshandelingen naar België te komen. We zijn toen heel soepel geweest. (af)

 ZUSTER OCTAVIA: Er zijn prima scholen in België en wereldberoemde oogartsen. Drita heeft me over de ogen van je dochtertje verteld. Naar België reizen is trouwens niet moeilijk. Je stapt in Rome op de trein en stapt in Brussel uit. Het enige probleem is, dat je geen Italiaans spreekt en geen paspoort hebt. We kunnen je in je eentje niet naar Rome te laten reizen. Daarom stel ik voor dat ik je per taxi naar Rome laat voeren. Mits betaling - in dollars uiteraard. Taxi’s worden niet gecontroleerd. In Rome laat ik je bij Kosovaarse vrienden onderbrengen die al langer in Italië wonen. Zij zetten je dan op de trein naar België. Je moet wel nu beslissen.

ELA: Daar hoef ik niet lang over na te denken, eerwaarde. In Italië vind ik geen werk en in België, waar goede scholen en oogartsen zijn, ben ik welkom. (betaalt de Zuster Octavia)

ZUSTER OCTAVIA: Goed. Dan duik je nu nog een nachtje onder op de hooizolder bij Liran en Drita. Morgenvroeg komt de taxi. Ik wens je behouden aankomst in België, mijn kind. Ga in vrede.

(allen af – we horen een fluitsignaal en een vertrekkende trein)

LA MAMA: (op zwaait naar de trein) Dag Ilir! Daag Lindita! Chau Ela! Bel me als je aangekomen bent, hè! Ik ga jullie missen! (werpt kushandjes) Toen ze bij mij kwamen, waren ze alle drie uitgeput en vel over been. Mijn man, die bij de spoorwegen werkt, moest hen ’s anderendaags op de trein naar België zetten. Zo’n uitgemergelde stakkerds zo maar op de trein zwieren? Dat kon ik niet. Ze hadden niet eens nette kleren, die moesten dringend gewassen worden. ’s Anderendaags werd het jongetje ziek. Het had hoge koorts en moest aldoor braken. Niet moeilijk. Het ventje droeg altijd een uitgespoelde, natte luier. Ela had maar twee luiers en kende geen Pampers. Ik ben direct Pampers gaan kopen en heb een dokter gebeld. En maar goed. Zonder doktershulp had die kleine het niet gehaald. Ik heb hen twee weken verzorgd. Ze wou me er voor betalen. Maar mensen toch! Ik heb uit vrije wil en met liefde en plezier voor hen gezorgd. Daar betaal je toch niet voor! Toen Ilir genezen was, hebben we de treinreis voorbereid. Ik had nog een oude reiskoffer op zolder en propte ze vol afgedragen kleren van mij en mijn dochters. Voor Ilir kocht ik een tweedehandse buggy. Het grootste probleem waren de treintickets. Ela had nog wel dollars, maar niet genoeg voor de reis. Mijn man kon hen wel ongezien op de trein smokkelen. Maar dat was te riskant. Financieel hebben wij het niet slecht, maar drie internationale treintickets kopen… dat kon ‘mijn bruine’ niet trekken. Toen dacht ik aan Rosita. Enkele jaren geleden had ik haar ook geholpen. Ze woont nu in Duitsland en verdient héél goed de kost. Ze belt me nog geregeld. “Als je in nood zit, mag je altijd op mij rekenen” zei ze. Nu zat ik in nood. Wel niet voor mezelf. Maar dat maakt geen verschil. Die lieve Rosita! Eén telefoontje en enkele dagen later stond het nodige geld op onze rekening. Mijn man heeft dan nog contact opgenomen met de Kosovaren die hen in Brussel gingen opvangen. Ik wou hen niet laten gaan zonder te weten dat er voor hen gezorgd werd. We hebben nog een foto van haar opgestuurd, zodat ze haar in Brussel kunnen herkennen. ’t Zijn zulke schatten! Ik wou dat ze Kerstmis nog samen met ons hadden gevierd. Ik ga ze missen. (af)

 

(we horen een trein stoppen)

 

ELA:  (op met valies, buggy en “haar kinderen”) We zijn er, kindjes! Hier is de witte toren met nummer 22! Hier moeten we wachten op mijnheer Matish. Hij zal nu wel terug naar huis zijn. We zijn te laat. Maar ja, de trein stopte pas kilometers verder. Er zat dus niets anders op dan de sporen te blijven volgen tot hier. La mama had gezegd dat die wagon in Rome hersteld was en daarom leeg naar België terug reed. Ik zou de enige reizigster zijn in die wagon. Maar net na het vertrek stormden ineens tien negers binnen. Verstekelingen. Dat was duidelijk. Ze waren luidruchtig en bedreigden me met een mes. Toen ik met mijn ticket zwaaide snapten ze dat ik het recht had om in die trein te zitten en lieten ze me gerust. Ze aten, rookten, dronken bier tot ze stomdronken waren en lieten al hun afval in de wagon slingeren. De coupé stonk uren in de wind. Net voor Parijs zijn ze uit de trein gesprongen.  Toen de trein in het rangeerstation van Parijs stopte, heb ik de boel opgeruimd: alles netjes in de plastic zakjes gestopt die ze hadden laten rondslingeren. Omdat de stank niet te harden was opende ik de kleine venstertjes. En dat was fout. Daarmee had ik de aandacht getrokken van een spoorwegbeambte. Hij kwam binnen, keek kregelig en vroeg aldoor: “Passeport! Passeport!”

 

RANGEERDER: (op) Passeport! Passeport! Ik had het nog honderd keer kunnen vragen. Je zag zo dat het illegalen waren en dat ze geen paspoort had. O maar! Ze had tickets! Tickets voor België. Hm Als ik haar oppak voor het feit dat ze geen paspoort heeft, moet ik een verslag schrijven, hen naar de sociale dienst brengen. Pfft! Ik hoor Madame Sociale al zagen: “Moet je daar nu mee afkomen? Vlak voor Kerstmis? Ik heb nu wel wat anders te doen, hoor!” En binnen een uurtje zit mijn dienst er op. Zut! Ik laat ze zitten. Dat ze er in België hun plan mee trekken. (af)

 (Ela als hoopje ellende op de scène – we horen een kerstlied)

 MATISH (op): Ela Tafa?… Ik ben Matish.

ELA: Ik wacht hier al drie dagen.

MATISH: Wat had je gewild? Dat ik eergisteren kwam en dat de Roma zigeuners me onderweg vermoorden? Dan had je hier nog langer gezeten. Luister. We gaan zo meteen naar de vreemdelingendienst. Je zal daar ondervraagd worden. Begin met deze woorden van buiten te leren: “Kosovo” en “asiel”. Meer hoef je in ’t begin niet te zeggen. Daarna roepen ze er een tolk bij. Dan mag je je hele verhaal vertellen, met dit verschil: ten eerste, je man heeft voor de Democratische Liga van Kosovo gevochten en daarom heeft het U.C.K. jullie bedreigd. Gesnapt? Ten tweede: Je wist dat U.C.K. een familielid van Matish Mauritius – dat ben ik – vermoord had. En daarom zijn jullie gevlucht. Is dat duidelijk?

ELA: Waarom moet ik liegen?

MATISH: Omdat je anders geen asiel krijgt, domme gans!

ELA: Wat is asiel?

MATISH : Nog één zo’n stomme vraag en ik zet je terug op de trein, richting Rusland. Komaan, mee naar de vreemdelingendienst. Weet je nog wat je moet zeggen?

 ELA: Asiel. Kosovo. Asiel. Batusha heeft voor de Democratische Liga van Kosovo gevochten en werd door het bevrijdingsleger bedreigd. Ik wist dat het U.C.K. een familielid van Matish Mauritius vermoord had en daarom zijn we gevlucht. Ik had die zinnen voortdurend herhaald. Ik mocht geen fouten maken. Matish had me op het hart gedrukt dat ze van cruciaal belang waren. Op de vreemdelingendienst heb ik eerst lang zitten wachten. Tot uiteindelijk de dame achter het loket teken deed dat het mijn beurt was. Ik dreunde mijn woordjes en zinnen af. Maar de loketdame onderbrak me.

 LOKETBEDIENDE: Hebben we nog een Kosovaarse vertaler?

STEM ACHTER DE COULISSEN: Alleen nog een Serviër.

LOKETBEDIENDE: Dat is ook goed. Stuur die maar.

 ELA: Een uur later kwam een man naar me toe. Hij sprak Servisch. Hij was de officiële tolk, zei hij. Een Serviër… als tolk voor een Kosovaarse die door de Serviërs op de vlucht was. (ironisch lachje) Servisch is niet hetzelfde als Kosovaars, maar ik verstond hem. Alleen twijfel ik er sterk aan of hij mijn verhaal wel juist vertaald heeft. Ik vertelde wat ik meegemaakt had en natuurlijk ook de zinnen die ik van Matish moest zeggen. Toen zei hij dat ik waarschijnlijk geen asiel zou krijgen en dat ik beter terug naar Kosovo zou gaan. Ja hallo! Ik zal een Serviër mij eens laten vertellen wat ik moet doen! Uiteindelijk kreeg ik van de loketdame een document met mijn foto op. De tolk zei dat ik naar Belsele moest gaan en eerst een appartement moest huren. Daarna moest ik hen zo vlug mogelijk een kopie van het huurcontract bezorgen. Ik snapte er niets van. Hoe kon ik nu een appartement huren? Ik had geen geld! (af)

 MATISH: (op) Om van het OCMW geld te kunnen krijgen moet ze nu eerst een adres hebben. Rapper gezegd dan gedaan. Belgen verhuren niet graag aan vreemdelingen. Maar goed, ik pluisde de krant uit en nam hen mee op sleeptouw, op zoek naar een appartement. Hoe rapper ze een domicilie heeft, hoe rapper ze begint te renderen. (af)

 MADAME HILDA: Het was de derde avond na Kerstmis. Ik had net de hond uitgelaten toen de bel ging. Bezoek? Ik keek door het spionnetje en zag… een ei! Een krokodillenei! Behoedzaam opende ik de deur. Het ei bleek een hoofddeksel met daaronder een donkerbruine Piet Piraat. In gebroken Engels, Frans en Duits, vroeg hij: “House à côté. Votre house? You vermieten?” Ja, het was mijn huis. En ja, het stond te huur. De vorige huurder was met de noorderzon verdwenen. Maar of ik aan zo’n krokodillenkweker wou verhuren? Hij moet mijn aarzeling gemerkt hebben want meteen daarop zei hij: “Not for me! Pour Madame!” Hij duwde een schim naar voren alsof hij een exquise “plat du jour” wou aanbevelen. “Madame” droeg een baby en had een kleuter aan de hand. Haar houding was gelaten, futloos. Ze sloeg de ogen op. Die blik… Ik voelde het kippenvel over mijn lijf kruipen. Haar ogen fonkelden als karbonkels. Ze trok haar kinderen dicht tegen zich aan. Ik begreep het. Ze deed het voor hen. Ik liet hen het huis zien. Het was duidelijk naar hun zin. Maar toen bleek dat ze geen paspoort had, enkel een papier met als titel 26bis, zei ik: “Kom morgen terug” zei ik, “ik wil er over nadenken.”

 ADVOCATE: (op) Mensen zonder wettige verblijfspapieren hebben basisrechten die opgenomen zijn in mensenrechtenverdragen, internationale akkoorden en in de Belgische grondwet. Zo heeft iemand zonder wettig verblijf recht op onderdak. Mensen zonder wettig verblijf kunnen in principe een woning huren. Het verhuren van een pand aan iemand die illegaal in het land verblijft, is niet strafbaar. Het misbruik maken van hun kwetsbare positie wel. (af)

 MADAME HILDA: Toen ze ’s anderendaags aanbelden – die eierdop was er weer bij - had ik het huurcontract klaar. En… ik had een Albanees-Nederlands woordenboek gekocht. Ik wou dat ze de elementaire huurvoorwaarden heel goed begrepen. Ik wilde alleen aan dat Kosovaars madammeke en haar kinderen verhuren. Die eierdop kwam er niet aan te pas. Ik vroeg één maand huurwaarborg en eiste dat de maandelijkse huur voor het begin van de maand betaald was. Ik mag dan wel een goede ziel zijn, maar met geldzaken ben ik principieel. Ik stond wel toe dat ze er gratis een weekje vroeger in trok op voorwaarde dat die eierdop de slaapkamers en de woonkamer zou behangen. Het behangpapier zou ik wel bezorgen.

 (Matish en Ela op)

MATISH: Ik behangen? Wat denkt die wel? Dat ze mij zo maar aan ’t werk kan zetten? Ik laat me niet commanderen. En zeker niet door een vrouw. In Kosovo zou ik haar godverdomme wel geleerd hebben wie de baas is.

 ELA: Wat een mooi huis! Drie slaapkamers en een grote zolder! In de keuken stond een grote kast met een kookvuur en een oven en een ijskast. En boven een groot bed. Dat mogen we allemaal gebruiken!

 MATISH: Zonder voorschotten geen contract. Verdomme! Waarom geeft ze dat contract niet? Er is toch een akkoord! We hebben handen geschud!

 ELA: Volgende week mogen we het contract gaan tekenen… als Matish het voorschot en de huur kan en wil betalen…

 MATISH: Met een huurcontract krijg ik bij het OCMW geld om drie maand voorschot te betalen. Dan kon ik die twee maand voorschot op mijn bil kletsen. Maar nu moet ik potverdikke eerst zelf aan geld zien te geraken. Verdomme, verdomme, verdomme!

 ELA: Lindita en Ilir en ik, dat groot huis! Het is te mooi om waar te zijn. Misschien wil Matish het huis wel voor zichzelf. Zijn appartement is veel kleiner.

 MATISH: OK. We fiksen het wel. Ik verdwijn voor een nachtje naar Brussel en morgen heb ik het geld. “Geleend van een vriend” zal ik maar tegen mijn vrouw zeggen. (tot Ela) Komaan! Er is nog werk aan de winkel.

(Ela en Matish af)

 MADAME HILDA: Een week later brachten ze het geld en we tekenden het huurcontract dat alleen op haar naam en dat van haar kinderen staat. En zij kreeg de sleutel. Die eierdop keek toen wel sip. Maar dat kon me niet schelen. Ik kocht behangpapier en legde het in het huis. Daarna bleef het dagenlang stil. En dan opeens, eind januari, hoorde ik er gerommel en gestommel. Aha! Ze waren waarschijnlijk aan ’t behangen. Ik had wel een reservesleutel, maar ‘k belde braafjes aan. En wie deed open? Een andere eierdop! Hij was de woonkamer aan ’t behangen… ( slaat hand voor de ogen) zoals vroeger, met een overslag! En ’t was vinylpapier! Dan wou ik naar boven gaan om naar de dakgoot te gaan kijken. Want ik herinnerde me dat die verstopt was. En wat stond er in het deurgat? Nog een eierdop! Ik duwde hem vriendelijk opzij en gebaarde dat ik iets moest nakijken. Terwijl ik hem passeerde, begon hij luid te praten. Toen ik in de gang kwam, wist ik tegen wie. Op de overloop stond verdorie nog een eierdop! Ik negeerde hem en ging op de slaapkamer naar de dakgoot kijken. En inderdaad, die moest dringend gekuist worden. Ik riep die derde eierdop en wees naar de goot. Hij snapte het begon meteen de dakgoot proper te maken. Ik ging naar de zolder om die dakgoot nog te inspecteren… staan daar nog twee eierdoppen, zeg! Een ervan sprak behoorlijk goed koeterwaals en zei dat Matish, “le personne qui louer le maison”, gezegd had dat ze hier moesten blijven. Matish, Matish! Die vent had daar niks te vertellen! Toen viel mijn nikkel. Die Matish was zinnens om het huis aan die vijf gasten onder te verhuren. En ik zou ongewild en ongeweten een huismelker zijn! Ik stormde naar beneden. Ik wou ze met het huurcontract allemaal buiten zwaaien. Zie ik plots, de sleutel aan de binnenkant van de deur steken. Ik pakte hem mee en sloeg de deur dicht.  (af)

 (Ela en Vitoria op)

ELA: In afwachting dat ik in het mooie huis zou mogen wonen, logeerden we bij Matish en zijn vrouw Vitoria. Het was een maand zonder zorgen. Want Victoria en Matish zorgden voor alles. De sleutel van het huis had ik aan Matish gegeven. Ook het geld dat ik in Belsele kreeg, gaf ik aan hem. Hij was tenslotte de man en hij zorgde voor alles.

 VITORIA: Het is krap wonen met Ela en haar kinderen er bij. Maar het is ook gezellig. En het is bij ons toch regelmatig de zoete inval. Matish is een schat. Hij is voortdurend in de weer om landgenoten te helpen, ook al zijn onze papieren nog niet in orde. Nu is hij weer bezig om naast Ela nog vijf ex-soldaten onderdak te bezorgen. Hij heeft ze allemaal in het huis van Ela aan ’t werk gezet. Ik denk dat die jongens daar ook zullen gaan wonen. Het huis was daar groot genoeg voor, zei Matish.(af)

 MATISH: (op) Dedju dedju! Ela! Maak je klaar. Om vier uur afspraak bij madame Hilda. Er zijn problemen.

(Ela en Matish af)

 MADAME HILDA: Ik had koffie gezet. Ik begreep intussen dat “op de koffie komen” betekent: eens rustig komen praten. De vijf gasten waren bij Matish gaan aankloppen. Zonder sleutel konden ze weinig doen. Ze waren stipt. Met behulp van mijn boekje maakte ik hen kordaat duidelijk waar het op stond. Matish lachte me beleefd uit. Hij had toch zijn woord had gegeven, zei hij, en die mannen zouden ten laatste morgen gedaan hebben. Ik maakte me zorgen om niets. Hij gaf zich dus zonder slag of stoot gewonnen. Nu ja, hij moest wel. Hij had geen paspoort en die vijf eierdoppen ook niet. Hij kon zich geen problemen permitteren. We gingen samen naar het huis en in het bijzijn van de vijf eierdoppen overhandigde ik de sleutel aan Ela en herhaalde nog eens dat alleen zij en haar kinderen in het huis mochten wonen. Ik schudde iedereen de hand en bolde het af.

ELA: (op) Daar stond ik, alleen tussen zes mannen die mij stuk voor stuk konden opvreten. Die Belgen met hun stomme contracten! Voor alles was er een contract! Ik werd er kierewiet van! Ik had de pest aan madame Hilda. Waarom moest ze Matish tegenover die soldaten voor schut zetten? Matish is een gerespecteerde man en de goedheid zelf! Ik moest van Matish ’s anderdaags naar “mijn” appartement verhuizen. Hij zou me alleen nog helpen om in Belsele het geld te gaan halen.

MADAME HILDA: Ze belde aan, het jongetje in de buggy, het meisje aan de ene hand en een valies in de andere hand. Dat was haar “verhuis”. Allee. Waar moest dat mens op zitten? Ze had geen stoelen, geen potten en pannen en geen tafel. Jongens, jongens, wat een toestand! Ik haalde een slaapzak voor de kinderen; sleurde mijn tuinmeubelen naar haar woonkamer; haalde wat oude potten en pannen uit de kelder; lakens, dekens en bestek had ook nog op overschot. Enfin, ik rommelde tot ze een beetje fatsoenlijk kon wonen. (af)

ELA: Ik begrijp die madame Hilda niet. Eerst is ze zo vreselijk streng en daarna geeft ze me zo maar een hele huisraad cadeau. Ze ging met mij ook naar een school om Lindita in te schrijven. ’s Anderendaags mocht ze al naar school. Gratis! Kinderen mogen hier gratis naar school, zeg! Lindita gaat heel graag naar school. In ’t begin klaagde ze, dat ze niet kon zien wat de juffrouw op bord schreef. Maar nu heeft de juffrouw haar vooraan gezet. Ik zou zo graag met Lindita naar een oogarts gaan. Maar Vitoria heeft gezegd dat mensen zonder papieren er niet binnen geraken. Zou ik het eens aan madame Hilda durven vragen?

MADAME HILDA: (op) Ah! Ela! Het is vandaag de 31ste. Mag ik je er aan herinneren dat morgen de huur moet betaald worden?

ELA: Oh maar ik denk dat dat niet gaat, madame Hilda. Het OCMW betaalt pas dinsdag uit.

MADAME HILDA: Ok. Voor één keer wil ik dat begrijpen. Dinsdag dan. Maar in ’t vervolg wordt er op de eerste van de maand betaald, ja?

ELA: Ja, madame Hilda. (af)

 MADAME HILDA: Het werd woensdag en de huur was nog niet betaald. Nu ben ik maar aan één ding allergisch en dat is aan te late betalingen (telefoneert)

 SOCIAAL ASSISTENTE BELSELE: Met het OCMW van Belsele.

MADAME HILDA: Met Hilda, de huisbazin van Ela, de Kosovaarse, weet je nog?

SOCIAAL ASSISTENTE BELSELE: Ah ja! Ik ben vorige maand nog bij jou geweest in verband dat huurcontract en ik ben toen ook naar het huis komen kijken. Ik verwachtte eigenlijk een telefoontje van jou.

MADAME HILDA: Oh ja?

SOCIAAL ASSISTENTE BELSELE: Matish is gisteren hier geweest. Alleen. Hij vroeg Ela’s geld. Maar ik heb hem niks willen geven. Sommige OCMW’s betalen wel zonder boe of ba aan zogenaamde “familie”. Maar wij doen dat niet. Ik heb Matish eens nagetrokken. Blijkt dat hij op meerdere OCMW’s geld gaat ophalen. Hij staat nu op de zwarte lijst. Maar je hoeft niet ongerust te zijn. Jouw huur wordt betaald, hoor. Maar Ela moet zelf komen ontvangen.

 ELA: Matish kwam me oppikken om op het OCMW geld te halen. Hij was lastig. Toen niet hij maar ik het geld kreeg werd het nog erger. Hij zei, dat ik in ’t vervolg het geld alleen maar moest gaan ophalen. Moest ik met de buggy te voet van Sint-Nicolaas naar Belsele? Nu ja, ik mag niet klagen. Ik woon in een mooi huis. Er is wel niets echt van mij, maar ik ben nog nooit zo gelukkig geweest.

 MADAME HILDA :De maand daarop haalde ik Ela op. “Kom” zei ik, “we rijden naar Belsele”. En ik heb nog een verrassing. Een paar weken terug was Lindita’s schooljuf was bij mij geweest. Ze had geprobeerd om er met Ela over te praten, maar ze verstond haar niet. Ze zei dat Lindita toch zo slecht zag en stelde voor om op school een omhaling te doen voor een bril voor Lindita. Of ik dan met haar naar een opticien wou gaan. Het resultaat van de omhaling was behoorlijk. Het tekort zou ik wel aanvullen.

 OOGARTS: (op) Het is een erfelijke ziekte. In België komt die ook voor, maar wij laten het nooit zo ver komen. Lindita’s oogziekte is al een vergevorderd stadium. In dit stadium heb ik het nog nooit gezien. Ik ga haar een bril voorschrijven. Ze zal die haar leven lang moeten dragen. Let er evenwel streng op dat ze die ‘altijd’ draagt. Als ze dat niet doet, wordt ze wel degelijk blind. (af)

 ELA: (op) Lindita heeft een bril! Lindita heeft een bril! Lindita heeft een bril! Ze wordt niet blind! (af)

 MADAME HILDA: Maanden gingen voorbij en ik ging geregeld eens kijken bij Ela. Het was mooi om zien hoe ze zich beetje bij beetje aan haar nieuwe leven aanpaste. “Integratie” noemen onze politici dat. Maar ze hebben er geen flauw benul van wat dat allemaal inhoudt. Dat is een proces van jaren.

 ELA: Madame Hilda, de postbode heeft een dikke brief gebracht. Het ziet er heel belangrijk uit. Ik denk dat het mijn papieren zijn!

 ADVOCATE : (op)Afwijzing van aanvraag en bevel om het land te verlaten. Aan de persoon die zich Ela Berisha noemt, in toepassing van artikel 52 van de wet van 15 december 1980, gewijzigd door de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, wegens het feit dat: de vraag kennelijk niet gegrond is, omdat de vreemdelinge geen elementen aanhaalt van gefundeerde vrees voor vervolging in de zin van de internationale Conventie, getekend te Genève op 28 juli 1951. De betrokkene die zich zonder identiteitspapieren heeft aangemeld, bewerende Albanese uit Kosovo te zijn, was niet in staat elementaire vragen over Kosovo en de toestand daar te beantwoorden. Bijgevolg, wegens sterke twijfel aan de nationaliteit van de betrokkene, wordt haar verzoek onontvankelijk verklaard, wegens niet gefundeerd. Bijgevoegd: vragenlijst om desgewenst tegen deze beslissing beroep aan te tekenen.

 SOCIAAL ASSISTENTE BELSELE: (op) Niet te veel zorgen maken over die brief. Dat is de normale gang van zaken. Het enige dat Ela nu moet doen is in beroep gaan. Stuur zo snel mogelijk de bijgevoegde vragenlijst per aangetekend schrijven op en bezorg ons een kopie. Dat is alles. Dan heeft ze natuurlijk nog geen zekerheid. Maar het duurt jaren voor een beroepaantekening beantwoord wordt. En is dat antwoord uiteindelijk negatief, heeft ze gegronde redenen om naar de Raad van State te gaan. Het duurt dan weer jaren voor ze daar antwoord op krijgt. En is dat uiteindelijk ook negatief, is ze intussen ettelijk jaren geïntegreerd en kan ze een 9.3 indienen.

ADVOCATE: Artikel 9.3 van de asielwetgeving. In uitzonderlijke omstandigheden kan aan vluchtelingen om humanitaire redenen asiel gegeven worden. De humanitaire redenen worden niet gespecificeerd, waardoor een aanvraag op basis van artikel 9.3 grote onzekerheid met zich meebrengt. (af)

 MADAME HILDA: Drie maanden later kreeg Ela al antwoord. Minister Dusquenne had verkondigd, dat voortaan alle asielaanvragen binnen de drie maanden zouden afgehandeld zijn. Met als gevolg dat dossiers die rechtlijnig en eenvoudig waren in sneltempo werden afgehandeld en allemaal negatief kregen. Dan kostte het de staat niets meer, zie je. Wie niet akkoord was moest maar naar de Raad van State. De argumentatie van de dienst vreemdelingenzaken was als officieel volgt: Ela was tijdens oorlog terecht gevlucht. Maar nu de oorlog voorbij was en de VN er de veiligheid waarborgde, was de Conventie van Geneve was voor haar niet meer van toepassing. Zij was geen politieke vluchtelinge meer. (af)

 ELA: Terug naar Kosovo? Waar naartoe? Ik heb er geen huis. Mijn man is nog altijd spoorloos. Als ik terug ga, moet ik gaan bedelen. En Lindita… Ze doet het zo goed op school….

SOCIAAL ASSISTENTE SINT-NICOLAAS: We hebben hier in Sint-Nicolaas het dossier van Ela doorgekregen. Het is een sterk dossier. Zij maakt veel kans om met een 9.3 op humanitaire gronden een verblijfsvergunning krijgt. Maar dan moet ze wel eerst deze beslissing bij de Raad van State aanvechten. En dat kan lang duren. Soms wel tien jaar. Het grote probleem is echter dat wij haar nu financieel niet meer mogen steunen. Maar misschien kan het Oberonfonds helpen. Dat is een vereniging die speciaal voor zulke gevallen is opgericht. En als ze dan nog een beetje in ’t zwart zou kunnen bijverdienen…

OBERON: (op) Oberon is een organisatie die werkt met steun van vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties. Het is de laatste reddingsboei voor wie tussen de mazen van het sociale net valt. Onze middelen zijn beperkt. Maar we doen al het mogelijke om vooral de meest kwetsbare asielzoekers op te vangen en hen met raad en daad bij te staan. (af)

ELA: Madame Hilda had een advocaat onder de arm genomen. Een “Protéüs” of zoiets. Hij had mijn regularisatie geregeld en nu moest ik gewoon afwachten. Ik snapte er niets van. Wat ik wel begreep was, dat ik voor de Belgische staat niet meer op hun grondgebied leefde en dus ook geen hulp meer kon krijgen. Gelukkig had madame Hilda had het Oberonfonds gevonden. Die hielp me met de huishuur. En in de buurt was een organisatie die voedsel bedeelde. Ik maakte er gebruik van maar was daar niet gelukkig mee. Ik wilde werken voor mijn centen!

 

MADAME HILDA: Sedert Ela’s beroep afgewezen is, loopt ze er bij als een zombie. Ik nam haar al eens mee naar een toneelvoorstelling, samen met de kinderen naar een pretpark, naar zee. En dan lacht ze maar alleen om mij plezier te doen. Verdomde politici! Snappen die dan niet dat die vrouw niet terug kan!

 

ELA: Op een van de uitstapjes met madame Hilda was Rucoli lastig. Ik werd er kregelig van en snauwde hem in het Kosovaars toe dat hij zijn snuit moest houden. Zegt plots een man in het Albanees: “Ach, die kleine heeft misschien zin in een ijsje. Zullen we samen een ijsje gaan eten?” Zo leerde ik Alexander kennen.

 

MADAME HILDA: Die vent stond me niet aan. Het was te slijmerig. Een grijnzende breedsmoelkikker.

ELA: Ik mocht hem ook niet. Maar ’t is een man. En tegenover een man moet een vrouw altijd beleefd en onderdanig zijn.

MADAME HILDA: Na die toevallige kennismaking bezocht hij Ela bijna dagelijks.

ELA: Hij werd erg opdringerig.

ALEXANDER: (op) Hallo schatje! Blij me te zien? Moet je horen, mijn ouders zijn in België! Ik heb voor hen asiel gekregen, omdat mijn vader kanker heeft. Maar ik vind voor hen zo direct geen woning. En daarom heb ik besloten om hen bij jou te laten wonen.

ELA: Dat kan niet Alexander. Ik heb een huurcontract. Alleen ik en mijn kinderen mogen hier wonen.

ALEXANDER: Vraag dan aan madame Hilda een ander contract.

ELA: Dat… doe ik niet.

ALEXANDER: Wat? Doe jij dat niet? Sinds wanneer spreekt een Kosovaarse vrouw een man tegen?

ELA: Het spijt me, Alexander.

ALEXANDER: Je kunt de pot op met je spijt! Mijn ouders komen hier wonen en daarmee basta!

ELA: Sorry, maar dat kan niet, Alexander.

ALEXANDER: Ah! Dat kan niet!… Ah, jij spreekt me tegen! Als ik zeg dat mijn ouders hier komen wonen, komen ze hier wonen, verdomme! (slaat Ela)  Morgen staan ze hier voor de deur. (af)

MADAME HILDA: Meestal dopt Ela haar eigen boontjes. Maar ze kwam het uiteindelijk toch vertellen. Ik werd razend! Wat denkt die cadet, wel! Dat hij zo maar een vrouw kan aftroeven? Ik maakte een afspraak met Alexander in een druk café. Ik heb hem eens flink aangepakt. Ik dreigde met de politie. Asielzoekers zijn daar duivels bang van.

ELA: Volgens madame Hilda zou Alexander het nu niet meer riskeren om mij lastig te vallen. Maar ik had hier te maken met een Albanese man die in zijn eer was aangetast. Ik ben bang dat hij vroeg of laat revanche neemt.

MADAME HILDA: Die morgen blijft voor eeuwig in mijn geheugen gegrift. Ela belde aan. Ze was totaal ontredderd. Met horten en stoten, maar zonder de minste emotie vertelde ze wat er gebeurd was.

 ELA: (vlak) Alexander. Hij kwam met een mes. Ik moest mee. Hij heeft me verkracht. (heftig) Ik moest naakt poseren! Hij heeft foto’s van mij genomen! Ik wil die foto’s! Ik moet die foto’s hebben!

MADAME HILDA: Kom, we gaan naar de politie!

ELA: Nee! Ze zullen me oppakken!

MADAME HILDA: Als je nu niet meegaat, blijf je Alexander's speelbal. Hij rekent er op dat je niet naar de politie durft gaan. Komaan.

 (Ela en madame Hilda af)

 POLITIEAGENTE: We maakten een PV op: verkracht door een Albanees en gedwongen tot een obscene fotosessie. We wisten inmiddels dat de Albanezen zich aan ’t organiseren waren in een soort ondergrondse structuur. De onderzoeksrechter wou er dus maar al te graag met de grove borstel te gaan. Met veel tamtam vielen we bij die Alexander binnen. Hij legde ons geen strobreed in de weg. We vonden geen filmrolletjes en namen die gast mee voor ondervraging. Zeemzoet en met een permanente smile zei hij…

 ALEXANDER: (op) Maar madame, Ela en ik hebben al maandenlang een verhouding. Zij is in verwachting en ik ben de gelukkige vader. Ik had zelfs al een afspraak gemaakt bij de gynaecoloog. Kijk, hier is een kaartje voor een afspraak met de gynaecoloog. Het spijt me dat Ela jullie lastig gevallen heeft, maar ja, soms is ze een beetje… labiel. (af)

 POLITIEAGENTE: Ik geloofde er geen snars van. Zijn geslijm sprak boekdelen. Trouwens, ze was niet zwanger. Ze had zelfs de laatste jaren geen seksueel contact meer gehad. Dat had het medisch onderzoek uitgewezen. Alleen konden we hem niet in staat van beschuldiging stellen. We hadden geen bewijzen. We maakten hem duidelijk dat hij beter uit Ela’s buurt bleef. Vooral omdat hij onlangs een negatieve Raad van State had gekregen. Hij mocht hier dus zelfs niet meer zijn. Na dit akkevietje kon hij een 9.3 op zijn buik schrijven. Geen enkele fatsoenlijke advocaat zou voor hem nog een aanvraag willen doen. (af)

 MADAME HILDA: Ze was de politie dankbaar omdat ze haar ernstig genomen en geloofd hadden. Alleen die foto’s zaten haar nog dwars. Enkele weken later vernam ik via via dat Alexander naar Griekenland gevlucht was. Ik hoop dat hij daar blijft.

ELA: In madame Hilda’s kennissenkring werd voor mij naar werk gezocht. Het kwam traag op gang, maar stilaan kreeg ik meer en meer werk, als poetsvrouw. Zo kon ik het uiteindelijk zonder die gratis voedselbedeling stellen. Daar was ik enorm blij om. Voor het huurgeld zorgde Oberon nog. Ik hoopte maar dat Batusha ons zou vinden. Aan alle Kosovaren die ontmoette en ook via Matish en Vitoria, die regelmatig op bezoek kwamen, vroeg ik geregeld naar Batusha en zijn familie. Madame Hilda had me zelfs met een kopie van mijn 26bis op de site van het Rode Kruis aangemeld. Maar het bleef stil van die kant. Intussen bleef mijn regularisatie aanslepen. Ik woonde ruim vier jaar in België en die Protéo advocaat zei nog steeds: afwachten.

MADAME HILDA: Dat kan toch niet, hè! Twee jaar! Twee jaar geleden heeft de advocaat haar dossier bij de vreemdelingendienst van Sint-Nicolaas ingediend. En nog altijd geen reactie!

OBERON: (op) Oberon deed navraag. Bleek dat in Brussel geen dossier van ene Ela Berisha bekend was. Of wij wel zeker waren dat de advocaat zijn werk gedaan had. Ja, hij had zijn werk gedaan. Madame Hilda had een brief van de advocaat met de bevestiging dat haar dossier doorgestuurd was naar de bevoegde diensten in Sint-Nicolaas en dat na buurtonderzoek door de politie het dossier naar Brussel zou gestuurd worden. (af)

ELA: Politie? Hier is nooit politie geweest!

OBERON: Dan is het dossier hoogstwaarschijnlijk in Sint-Nicolaas verloren gegaan. Het meest praktische is de advocaat een nieuw dossier te laten indienen.

ADVOCATE: Ik maakte een kopie van het dossier, voegde er nog wat schoolrapporten aan toe en bewijzen dat Ela gemeentetaks betaalde en stuurde het nog eens op. Enkele weken later informeerde ik per brief op de dienst vreemdelingenzaken hoe het met dat dossier gesteld was. Laconiek schriftelijk antwoord: “Wij hebben hier geen dossier van Ela Berisha. Zou je ons een kopie willen sturen?” Nu had ik een bewijs dat er in Sint-Nicolaas nonchalant met dossiers omgesprongen werd. Ik stuurde het dossier nog eens op, maar wel een kortaangebonden begeleidingsbrief deze keer. (af)

MADAME HILDA: Toen kwam de politie voor dat buurtonderzoek. ’t Zou gaan tijd worden! Een paar weken later kreeg Ela een aangetekend schrijven. Ze moest zich in Sint-Nicolaas bij de vreemdelingendienst aanmelden. Ik ging mee. We kwamen er aan rond 9uur. Rond de middag was het onze beurt. En toen kwam het strafste. Op het bureau van de ambtenaar lagen de drie dossiers die de advocaat gestuurd had. Alle drie! Netjes op een stapel. Hij vroeg Ela’s oproepingsbrief, zette er datumstempel en een handtekening op, deed dat ook bij alle drie de dossiers. En dat was het. We mochten vertrekken. Daar hadden we twee jaar voor gewacht en drie uur zitten aanschuiven. En dan was het weer afwachten, tot de vreemdelingendienst van Brussel zou reageren.

ELA: Een jaar later kreeg Matish prettig nieuws. Hij had zijn verblijfsvergunning gekregen en was dolblij. Maar het had ook neveneffecten. Vroeger had Matish al eens een paar keer toespelingen gemaakt om mij als tweede vrouw te hebben. Ik wees dat telkens beleefd maar beslist af. Nu hij zijn verblijfsvergunning had, kwam hij daar op terug. Nadrukkelijker deze keer. Maar ik weigerde, resoluut deze keer. Na de affaire met Alexander was ik weerbaarder geworden. Op een dag had Matish een paar glaasjes te veel op en eiste dat ik zijn tweede vrouw werd. Toen ik hem weer afwees, werd hij boos en probeerde me te chanteren… met naaktfoto’s… Ik geloofde mijn eigen oren niet. Maar hij gaf details die alleen iemand kon weten die de foto’s goed bekeken had. Details die ik noch aan de politie, noch aan madame Hilda ooit verteld had. Ik wees Matish de deur. Ik was immers geen hulpeloze Kosovaarse meer. Ik had geleerd van me af te bijten. ’s Anderendaags ging ik naar Vitoria en vertelde haar over Matish’s aanzoek én over de foto’s. Daarna lichtte ik Madame Hilda in.

MADAME HILDA: Dat Matish haar een aanzoek deed, was niet onwettelijk. Maar die foto’s… Als hij ze had, zouden ze boven komen. Ik nodigde Matish uit op de koffie. En ja hoor, ’s anderendaags stond de eierdop met een brede smile aan mijn deur. Ik bleef beleefd en zei heel beminnelijk dat hij me de foto’s moest geven, want dat ik anders actie zou nemen. Twee weken na de verkrachting had hij de foto’s gezien, zei hij. Alexander had ze moeten afgeven aan de vierschaar. Eén van hen had ze bijgehouden. Maar hij had ze niet. Ik drong niet langer aan. Toen hij weg was, schreef ik een rapport over het gebeuren en bezorgde het aan de politiedienst waar we Ela’s verkrachting hadden aangegeven. Via via hoorde ik dat Matish twee weken later op het matje geroepen was. Maar wat er van voort kwam, behoorde tot “het geheim van het onderzoek’. In ieder geval, sindsdien heeft Matish Ela nooit meer lastig gevallen.

ELA: Drie jaar nadat mijn drie dossiers in Sint-Nicolaas officieel ingediend waren, kreeg ik een schrijven van de vreemdelingendienst.

LOKETBEDIENDE: (op) 1° Toen in 2002 de Raad van State negatief oordeelde over uw dossier, had u het land al moeten verlaten. 2° Dat u in België illegaal bent blijven wachten op antwoord is niet onze fout. 3° Wij kunnen geen rekening houden met het feit dat uw kinderen hier school lopen. In 2000, toen het beroep negatief besliste, was uw dochter geen zes jaar en bijgevolg nog niet schoolplichtig. Als u onmiddellijk gevolg had gegeven aan het uitwijzingsbevel had u uw dochter nog in Kosovo kunnen laten inschrijven. 4° Uit uw illegaal verblijf kan u geen rechten putten. Dat u hier als voorbeeldig burger leeft, is niet meer dan normaal. (af)

ELA: Weer bot gevangen. De advocaat heeft een nieuwe 9.3 opgemaakt en ingestuurd. Maar ik trek het me niet meer aan. Ik ben gelukkig. Ik ga vijf dagen in de week poetsen en kan nu alles zelf betalen. Lindita gaat binnenkort naar de middelbare school en Ilir studeert flink… We zijn gelukkig, Batusha. Waar blijf je?

(Ela af. Er rinkelt een deurbel. Ela op, overstuur)

ELA: Madame Hilda! Madame Hilda! (Madame Hilda op) Ik heb bezoek gehad. Je hebt me geleerd dat, ik tijd moest winnen als er iets onverwachts gebeurde. Dat heb ik gedaan. Wil je morgen asjeblieft op de koffie komen. Morgenavond. Om zes uur. ’t Is belangrijk. Heel belangrijk.

MADAME HILDA: Ok. Ik zal er zijn.

ELA: Dank u. Tot morgen. (af)

MADAME HILDA: Een half uur later kreeg ik telefoon van Lindita. In keurig Nederlands bevestigde ze nogmaals de uitnodiging. Ze zei dat haar moeder wou dat ik het heel goed begreep dat ik morgen om zes uur op de koffie verwacht werd en Lindita zou alles vertalen. Dat moet wel een heel belangrijk gesprek zijn morgen. Bezoek uit Kosovo! Zou haar man…? (af)

(Ela ontvangt bezoek: twee dames en een heer. De kinderen (reiszakken) zijn er ook. Madame Hilda op)

ELA: Madame Hilda, mag ik u voorstellen. Dit is een verre neef van Batusha. Dit is de schoonmoeder van mijn blinde broer en dat is de schoonzuster van mijn broer. Ze komen vragen of ik terug naar Kosovo wil komen.

SCHOONZUS: Ela’s schoonvader heeft zijn fout ingezien is met onze hulp terug naar het dorp kunnen terugkeren.

SCHOONMOEDER:  Maar daar zat hij nu alleen met mij en mijn twee dochters en mijn blinde schoonzoon. Haar broer dus en haar blinde vader.

SCHOONZUS: Ela’s moeder was intussen gestorven.

SCHOONMOEDER:  Wij kunnen met ons gedrieën al dat werk niet aan.

SCHOONZUS: En daarom komen we zeggen je kan terug komen.

SCHOONMOEDER: Jij bent jong en sterk. En Lindita is al groot, die kan ook helpen.

ELA : Mijn kinderen gaan hier naar school.

KOSOVAARSE MAN: Nah. Lindita hoeft toch niet naar school. Ze is nu dertien en weet al meer dan jij op 18de. Jouw schoonvader vindt voor haar wel een goede partij.

ELA: (trots en ziedend) Als de familie Tafa een slavin neemt, moet ze daar zorg voor dragen. Deze slavin is zeven jaar spoorloos geweest. In barre tijden. Niemand die haar kon vinden of …wou haar niet vinden? Ik heb elke strohalm gegrepen om Batusha en mijn en zijn familie terug te vinden. Maar er kwam geen teken van leven. Niemand die zich mijn lot aantrok. Er is zelfs nooit naar haar geïnformeerd, terwijl er ruim de tijd en de gelegenheid voor was. En dan hebben ze handen te kort en plots vinden ze haar. Nee… Ik kom niet terug. En meer nog. Ik ben geen Tafa meer. Ik wil die naam niet meer dragen. Ik ben Ela Berisha. Een vrije vrouw, die zelf de toekomst van haar kinderen bepaalt. Adieu!

KOSOVAARSE MAN: Als je nu niet mee komt, ben je geen Kosovaarse meer en hoef je nooit meer terug te komen.

ELA:  … Ik kom… nooit meer terug.

(de gasten vertrekken)

ELA: Ik weet niet of je begrijpt wat daarnet gebeurd is, madame Hilda. Ik heb in het bijzijn van getuigen – daarom waren er ook de kinderen bij - aan de naam Tafa verzaakt. Wat in Kosovo wil zeggen dat ik gebroken heb met mijn schoonfamilie. Dat betekent ook dat, moest mijn man nog leven, we vanaf nu gescheiden zijn.

MADAME HILDA: Het is jouw beslissing, Ela. Jij mag het heft in eigen handen nemen. Daar kan niemand iets op tegen hebben en iedereen zou dat moeten respecteren. Maar… Moest je alles kunnen overdoen, zou je dan dezelfde beslissingen nemen?

ELA  : Welke beslissing heb ik in alle vrijheid kunnen nemen, madame Hilda? De vlucht uit Kosovo? Mijn vertrek uit Albanië. De reis naar Rome en België? Hier blijven na mijn beroepsprocedure? En toch… ja, ik zou het allemaal over doen. Met dit verschil. Ik zou eerst de Conventie van Genève bestuderen en omstandigheden scheppen om voor asiel in aanmerking te komen – zoals Matish gedaan heeft. Ik ben veel mensen dankbaar, want ik heb het hier goed en mijn kinderen zijn gezond en vrij. Dankzij mensen zoals jij, madam Hilda. Mensen... Administratieve diensten kennen geen mensen. Die kennen alleen dossiers. Ik ben wrakhout dat ongewild is losgeraakt en eindeloos tegen de golfbrekers van de administratie aanbeukt. Ik ben aan ’t splinteren. Maar ik hoop dat mijn kinderen het strand zullen bereiken.

 EINDE


Als basis voor dit docudrama diende het verhaal van een bestaande vluchtelinge "Ela". Van haar verhaal schreef ik het boek “wrakhout” . Het boek word door de auteur ten bate van Ela uitgegeven. U kunt het op het adres van de site bestellen aan €10 + portkosten

"Terwijl de kat van huis was"   komedie avondvullend  Raymond Goovaerts

"Amor op wielen"  komedie avondvullend Hilda Vleugels en Raymond Goovaerts

"Op drift"  Docudrama éénakter  Raymond Goovaerts


Dit toneelstuk is auteursrechtelijk beschermd. Het wordt u ter lezing aangeboden. Niets van de inhoud mag worden gebruikt zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteurs. Wie dit stuk wil opvoeren dient contact op te nemen met de auteurs.

 
Links Weetjes Palmares Stukken Leesfiches Op stapel Blog
update 22/07/2010 Raymond Goovaerts   Elektriciteitstraat 31b401   2800 Mechelen   015/55.72.59   @