|
Niets uit deze uitgave mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
door middel van druk, fotokopie,
microfilm of op welke andere wijze ook
zonder voorafgaandelijk schriftelijke
toestemming van de uitgever: Raymond Goovaerts
- Elektriciteitstraat. 31/401 - 2800
Mechelen - 015/55.72.59
raymond.goovaerts@telenet.be
en/of de auteurs.
De totale exclusiviteitrechten op het
levensverhaal van Ela en haar familie rusten
eveneens bij de uitgever
WRAKHOUT
Docudrama van
65' met mogelijke pauze
naar een waargebeurde verhaal
van
Raymond Goovaerts en Hilda Vleugels
Als basis voor dit docudrama diende het
verhaal van een bestaande vluchtelinge
"Ela". Van haar verhaal schreef ik het
boek “wrakhout” . Het boek word door de
auteur ten bate van Ela uitgegeven. U
kunt het op het adres van de site
bestellen aan €10 + portkosten.
Voor 4
dames en 1 heer (minimumbezetting; meer
kan zonder problemen)
Personages
(Ela en madame Hilda zijn vaste rollen,
de andere worden met herkenbaar detail
door 1 heer en 2 dames gespeeld.)
Ela
Berisha: Kosovaarse jonge vrouw
Batusha
Tafa: de man van Ela
Lindita:
dochtertje van Ela, bij begin 4 jaar
(wordt verpersoonlijkt door reiszak)
Ilir:
zoontje van Ela, bij begin 4 maanden
(wordt verpersoonlijkt door reiszak)
Idriz:
deserteur
Stanislou:
buschauffeur
Kapitein:
van rubberboot
Drita:
Italiaanse burgervrouw van Kosovaarse
afkomst
Liran: man
van Drita
Zuster
Octavia: Moeder Overste
Minister
Volksvrouw
La mama:
Kosovaarse- Italiaanse vrouw
Rangeerder
Matish :
Belgisch- Kosovaarse man
Locket bediende (dame)
Advocate
Vitoria:
vrouw van Matish
Sociaal
assistente Belsele
Sociaal
assistente Sint-Nicolaas
Oogarts
(vrouw)
Oberon:
hulpgroep
Alexander:
Albanees
Politieagente
Kosovaarse
man
Schoonmoeder: van Ela’s broer
Schoonzus:
van Ela’s broer
Decor :
zetstukken
(We
horen de golven op het strand ruisen.
Dan in de verte naderende motorboten.
Plots politiesirenes, huilende motoren
en geweerschoten. Motorboten varen weg,
we horen iemand door het water ploeteren
en een huilende baby. Ela doornat op de
scène, troost haar kinderen ( =
reiszakken).)
ELA:
Kom maar dicht bij mama, Lindita. Dan
rillen we ons samen warm. Niet huilen,
Ilir. We leven nog. We zijn in Italië!
Morgen vind ik werk op de fabriek. Dan
wonen we in een huis. Geen
vluchtelingenkamp meer. Een echt huis!
Misschien wel met een tuintje. Weet je
nog wat Idriz over Italië vertelde? Er
groeien palmbomen en de mensen zijn er
vriendelijk. Binnenkort kan jij naar
school, Lindita. De vrienden van Idriz
vinden ons wel. Ik was ook bang toen de
kapitein riep: “Politie! Politie!” en
alles en iedereen over boord kiepte. En
dan die geweerschoten! Maar we zijn er.
Probeer te slapen. Ik houd je wel warm.
(zingt
wiegelied)
DRITA:
(op met een paar schoenen in de hand,
zingt wiegeliedje mee) Mooi liedje.
Ik ben Drita.
Ik kom uit Drenica. Mijn man en ik zijn
vorig jaar gevlucht. Wie ben jij en waar
heb jij al die tijd gezeten?
ELA:
Ela… Ik ben Ela… En dit is Ilir en
dat is Lindita...
Waar ik gezeten heb?… In Albanië. Maar
eerst in Gjacove. Bij mijn schoonouders.
Toen alle dorpen gebombardeerd werden,
zijn we naar Albanië gevlucht. Mijn
schoonvader bleef in Kosovo. Om onze
boerderijen te beschermen. Ik was vier
maanden zwanger. Lindita was toen vier
jaar. We vonden onderkomen in het
vluchtelingenkamp van Tirana. Zo’n kamp
met duizend krotten uit
verpakkingstriplex, golfplaten en karton.
We bleven er niet lang. We vonden werk
bij een tomatenkweker. We mochten er
wonen kregen er eten. Lindita en ik
plukten de godganse dag tomaten.
Nietwaar, meisje? Mijn man ging met zijn
vrienden sporten. Op een dag zei hij:
“Ik ga terug naar Kosovo. Er gebeuren
daar verschrikkelijke dingen. Ik wil
helpen vechten.” Hij zou terug zijn voor
de geboorte van Ilir. Maar hij is
niet terug gekomen.
BATUSHA:
Natuurlijk ging ik “sporten”.
Tomaten plukken is
vrouwenwerk. Ik leerde er met wapens
omgaan. Ik had mijn gezin in veiligheid
gebracht maar wilde terug. Ik laat mijn
land niet zo maar afpakken! En dan was
er nog de kwestie van mijn vader. Die
vent heeft me altijd al ellende
berokkend. Eerst was er de ereschuld
tegenover de familie van mijn moeder.
Daardoor moest ik heel mijn jeugd in
Italië moest werken. En plots had hij
een bruid voor mij. Zo maar! Zonder
vragen! Hij kiende alles in zijn
voordeel uit. Hij had al het land en
alle eigendommen van Ela’s blinde vader
afgetroggeld. In ruil daarvoor zou hij
levenslang voor Ela’s blinde vader en
blinde broer zorgen. En ik mocht de
dochter hebben. Dat hoorde bij het
contract. Ela zal nu wel in de rats
zitten nu ik terug naar Kosovo gegaan
ben. Ik hoop maar dat de tomatenboerin
doet waarvoor ik haar betaald heb.
Ela heeft een kraambed en een
verpleegster nodig.
(Batusha af.
Donker. Stilte. Geweerschoten)
DRITA:
Wij wonen bij Luigi, een wijnboer.
Mijn man, mijn
dochter Serina en ik verzorgen er de
druiven. Wij mogen blijven omdat hij een
oogje heeft op Serina. Hij noemt haar
“zijn Gina”, “zijn Gina Lollobrigida”.
Hij gaat ons Italiaanse papieren
bezorgen. Gisteravond zei hij dat er
vanmorgen weer een vracht verwacht werd.
We moeten ze opvissen en bij hem
brengen. Wat hij er dan mee doet, weet
ik niet; ik wil het ook niet weten. Als
de sirenes loeien en er geschoten wordt,
moet ik gaan jutten. “Dat is
vrouwenwerk” zegt mijn man. Vier hebben
het niet overleefd. Een ervan droeg
nieuwe schoenen. Die komen van pas.
Nietwaar, bazeke? Hoe heet hij ook weer?
ELA:
Ilir. Hij is geboren in Albanië. De mama
van de tomatenkweker en een verpleegster
hebben me geholpen. Als zogende moeder
kon ik geen twaalf uur per dag meer
werken. Als ik tomaten plukte bond ik
Ilir op mijn rug. Toen zei de
tomatenboer dat hij dat mondje meer de
kost niet kon geven. Waar moest ik heen?
Terug naar Kosovo kon niet. Mijn
schoonvader had er al zijn eigendommen
verkocht.
DRITA:
Je hebt er goed aan gedaan om naar
Italië te komen. Hier ben je veilig. .
(merkt gouden kruisje om Ela’s hals)
Oh! Wat een mooi kruisje. Ben je
christen? (Ela knikt) Dat zal
mijnheer Luigi graag horen. Kom, jullie
mogen bij ons logeren. (allen af)
ILIRAN:
(op)
Mijn
vrouw geeft hen eten en droge kleren. Ze
is te naïef. Ze snapt niet dat deze
vrouw ons schade kan berokkenen. Een
mooie vrouw, achteraan in de twintig.
Als ze gewassen en gekamd is, is het een
schoonheid. Mijnheer Luigi zal er zijn
handen niet kunnen af houden. En dan
heeft onze dochter afgedaan en kunnen
wij naar onze papieren fluiten. Dat
kunnen we niet riskeren. Als ze wat
opgeknapt zijn, moeten ze maar in de
paardenstal slapen. Morgen breng ik hen
naar Zuster Octavia.. Die vindt voor hen
wel een oplossing. (af)
VOLKSVROUW: (op) Heb je ’t al
gehoord over die schoonvader van Ela. Nu
heeft die vent toch wel al zijn
eigendommen in Kosovo verkocht, zeker!
Alles! Al zijn landerijen plus de
gronden die hij van Elas vader “gekocht”
heeft. Volgens de overeenkomst moest hij
levenslang voor die mensen zorgen. Maar
weet je wat hij gedaan heeft? Hij heeft
Ela’s ouders gedropt bij de
schoonfamilie van haar blinde broer. En
dat is nog niet alles. Nu is hij er met
al het geld vandoor. Gevlucht naar
Belgrado. Maar niet alleen, hè! Nee,
nee! Hij is er van onder gemuisd met een
Servische hoer! Schandalig! (af)
ELA:
Naar Italië komen was misschien niet
het beste idee. Maar ik zag geen andere
oplossing meer. Ik had inmiddels gemerkt
dat Lindita de familieziekte had geërfd.
Als ze iets kleins moest bekijken, hield
ze het vlak voor haar ogen. Ze had een
arts nodig. Maar waar zou ik het geld
halen? En ze moest naar school. In
Albanië zijn bijna geen scholen en Ilir
zou er waarschijnlijk opgroeien tot
struikrover. Toen kwam Idriz. Wel een
deserteur, maar hij had de een
oplossing. “Ga naar Italië” zei hij,
“daar is het vredig, daar zijn goede
scholen, goede oogartsen.” Dat laatste
gaf de doorslag. De kapitein van
Batuscha was teruggekomen naar Albanië.
Hij zei dat Batusha nog leefde toen ze
overvallen werden. Wat daarna met hem
gebeurd was, wist hij niet. De kapitein
was een eerlijke man. Hij hielp me mijn
Servische geld om te wisselen in
dollars. Ik moest hem daarvoor wel iets
betalen. Maar het was de beste
investering die ik ooit gedaan heb. Ik
bereidde de reis grondig voor. Voor Ilir
had ik hoestsiroop gekocht. Voor Lindita
had ik een gordel gemaakt waaraan ze
zich kon vast houden. Want ik moest Ilir
én een valies dragen. Idriz regelde de
busreis naar de haven. Ik moest er een
flink pak geld voor ophoesten. De
woekeraar! Hij gebood me zelfs al mijn
geld af te geven. Hij zou het veilig
bewaren. Maar dat vertikte ik. Het is nu
wel niet de gewoonte dat een Kosovaarse
vrouw tegenover een man gaat
dwarsliggen, maar dat ging me te ver. Ik
permitteerde en zeurde en jammerde en…
de buschauffeur had het gehoord en kwam
ter hulp.
STANISLOU: (op) Ik stond op
mijn passagiers te wachten en hoorde
geroep en gejammer. Ik ging luisteren en
merkte dat Idriz iemand aan ’t afzetten
was. Nu ben ik niet vies van zaakjes met
een reukje aan, maar een vrouw afzetten
wiens man naar het “grote bataljon” is,
is niet mijn ding. Ik kende Idriz en
zijn streken. Hij betaalt mij het
driedubbele van een gewone rit en vraagt
aan zijn klanten het tienvoudige. Ze
trappen er allemaal in omdat hij ze bang
gemaakt heeft. En ik zwijg omdat ik goed
betaald word. Maar wat hij hier deed…
“Wel Idriz” zei ik, “moet dat vrouwtje
je nog geld?” Dat had hij niet verwacht.
Hij stamelde wat en blies de aftocht.
Tijdens de rit naar de haven heb ik dat
madammeke en haar kindjes de beste
plaatsen gegeven. Ze is me dankbaar
geweest. Van haar dank koop ik straks
twee nieuwe autobanden. En dan heb ik
nog dat paspoort dat ik rijkelijk kan
verzilveren…
ELA:
Tegen
de avond kwamen we aan de zee. Ik had de
zee nog nooit gezien. In Kosovo is er
alleen een meer. Lindita dacht dat ze de
overkant niet kon zien vanwege haar
slechte ogen. Ik maakte haar niet
wijzer. We stonden hoog boven het
strand. De chauffeur, zei dat het een
uitzonderlijk mooi uitzicht was. Ik vond
het helemaal niet mooi. En waar was de
boot? We mochten terug in de autobus.
Urenlang kronkelden we langs
haarspeldbochten naar beneden. Het was
bijna middernacht toen we beneden aan de
zee stonden. We waren eerst, zei
Stanislou. Er zouden nog bussen komen.
En de kapitein natuurlijk ook nog. “Heb
je je paspoorten?” vroeg Stanislou.
Natuurlijk had ik onze paspoorten.
Batusha had voor hij vertrok al onze
papieren aan mij gegeven. Ook zijn
paspoort. Ik liet ze zien. “Zijn ze
allemaal echt?” vroeg hij. Natuurlijk
waren ze echt. Hij gaf alles terug
behalve Batusha’s paspoort. “Als Batusha
jullie wil volgen, heeft hij dat nodig.”
zei hij, “Ik bezorg het hem wel.” Ik
vertrouwde het niet helemaal, maar hij
had tijdens de busreis goed voor ons
gezorgd. Daarna haalde hij een rol
plakband uit zijn busje.
STANISLOU: Zoals de meeste
vluchtelingen had ze haar geld in de
zoom van haar rok genaaid. Stomme griet!
Wie geld wil vinden heeft daar oog voor.
Ik haalde een rol plakband en gebood
haar het geld op haar lijf te plakken,
op zoveel mogelijk verschillende
plaatsen. Dat was een tegenprestatie,
voor het paspoort. Ik vertrok met
gierende banden. Ik wilde niet denken
aan wat die vrouw en haar kinderen te
wachten stond. (af)
ELA:
Lindita hielp giechelend met het
plakband. Op haar buik plakte ik ook een
deel. We trokken onze warme kleren aan.
Tegen de morgen kwamen er nog twee
families met een autobusje toe. Hun
chauffeur zei dat de kapitein pas de
volgende avond zou komen. ‘s
Anderendaags, in de late namiddag,
arriveerde dan eindelijk de kapitein met
twee handlangers. De kapitein droeg een
revolver. De andere twee waren gewapend
met revolver en mes. Ze verstonden geen
Albanees, ze spraken Italiaans.
DE
KAPITEIN: (op) Weer een troep
onnozele schapen. Ze worden begot
onnozeler met de dag. Eerst moeten ze
allemaal hun paspoorten afgeven. De
meeste daarvan zijn echt en brengen goed
op. En dan is het payday: voor de
benzine, douanegeld, bagagegeld en voor
het eten. De sukkels! Voor wat ze
daarvoor betalen vaar ik een heel jaar
over en weer. Voor kinderen betalen ze
meer, want dat zijn extra risico’s.
Estefan! Haal de centen en de juwelen
op. Emilio! Doe die nieuwe parka van dat
madammeke uit en geef haar een deken van
het rode kruis. En gooi de bagage al
maar op een hoop. Ze mogen allemaal maar
één valies meenemen, hè! En geen te
grote. Allee schaapjes! Allemaal in
rijen van vier. “En marche”! Naar de
boot! (af)
ELA:
De
kapitein liet ons in een rubberboot
stappen. We zaten opeen gepakt als
sardienen. Zijn jongste zoon – hij was
amper 17 - bestuurde onze boot. De
kapitein zelf volgde in een kleiner
bootje. Het duurde uren voor we beseften
dat we in die rubberboot de overtocht
zouden maken. Ik mocht in het midden
zitten omdat hij mijn warme jas had
ingepikt en omdat ik een baby bij had.
Lindita kon aan mijn voeten zitten. Toen
het donker was begon de boot sneller te
varen. Tegen de morgen minderden we
vaart. Het was schemerig en mistig.
Plots waren er politiesirenes, huilende
motoren, luidsprekers en geweerschoten.
De stuurman begon te roepen en te
tieren, rukte zeildoeken en dekens weg
en wierp alle bagage overboord. Daarna
duwde hij zonder boe of bah alle
passagiers over boord. Ik probeerde net
Ilir vast te binden toen hij Lindita te
pakken kreeg. Met mijn ene hand hield ik
Ilir vast en met de andere graaide ik
naar Lindita. Ik kreeg haar schouder te
pakken. Daardoor vielen we alle drie
tegelijk uit de boot. Wanhopig spartelde
ik in het rond met Lindita aan de ene
hand en Ilir stevig met de andere hand
tegen me aangedrukt. Ik had nooit leren
zwemmen. Godzijdank voelde ik plots
grond. Lindita spartelde, ik huilde en
ging nog een paar keer kopje onder, maar
ik bleef ploeteren en stilaan werd de
zee minder diep. ( knielt, maakt
kruisteken, bidt)
ZUSTER
OCTAVIA:
(op)
Het is goed om in tijden van nood voor
Onze Heer te bidden. Wie in Hem gelooft,
zal niets ontberen.
ELA:
Ik
geloof in Zijn goedheid, eerwaarde
zuster.
ZUSTER
OCTAVIA:
Liran heeft gevraagd of ik voor jullie
een oplossing kon vinden. Maar zo
eenvoudig is dat niet. Een man of een
vrouw aan een job helpen, zou nog
lukken. Maar werk vinden voor een
alleenstaande moeder met een baby en een
kleuter, is onmogelijk. Wie zorgt er
voor hen als jij gaat werken? Trouwens
de Conventie van Genève telt niet voor
jou.
ADVOCATE:
(op)
Een vluchteling is elke persoon die zich
buiten het land waarvan hij de
nationaliteit heeft, of indien hij geen
nationaliteit heeft, buiten zijn land
van herkomst bevindt, en die de
bescherming van dat land niet kan of wil
inroepen omdat hij vreest voor
vervolging omwille van zijn ras, zijn
religie, zijn nationaliteit, het behoren
tot een bepaalde sociale groep, of zijn
politieke overtuiging. (af)
ELA:
Ik begrijp het niet.
ZUSTER
OCTAVIA: Troost je. Iedereen zwaait
met de Conventie van Genève, maar
niemand begrijpt wat het inhoudt. Hoe
dan ook, jij zou beter terug naar Kosovo
gaan. Ik kan je niet helpen. God zij met
u, mijn kind.
ELA:
Ik heb dollars, zuster!
ZUSTER
OCTAVIA: Dat verandert de zaak
natuurlijk. Kijk. In het Noorden, boven
Frankrijk en Duitsland, ligt een klein
landje, België genaamd. Het is een rijk
land. Alle arme mensen, ook vrouwen,
krijgen er geld. Dat wil zeggen: ook al
vind je geen werk, krijgt je centen om
te overleven. Omdat bij de
bombardementen Belgische vliegtuigen
betrokken waren, heeft een Belgische
minister gezegd dat alle Kosovaarse
vluchtelingen welkom zijn.
MINISTER: (op) Sorry dat ik even
onderbreek. Voor alle duidelijkheid wil
ik vermelden dat toen beslist is, dat
1000 - let wel “duizend”! -
vluchtelingen zich mochten melden bij de
ambassade en dat we dan zouden bepalen
wie in aanmerking kwam om tijdens de
oorlogshandelingen naar België te komen.
We zijn toen heel soepel geweest. (af)
ZUSTER
OCTAVIA: Er zijn prima scholen in
België en wereldberoemde oogartsen.
Drita heeft me over de ogen van je
dochtertje verteld. Naar België reizen
is trouwens niet moeilijk. Je stapt in
Rome op de trein en stapt in Brussel
uit. Het enige probleem is, dat je geen
Italiaans spreekt en geen paspoort hebt.
We kunnen je in je eentje niet naar Rome
te laten reizen. Daarom stel ik voor dat
ik je per taxi naar Rome laat voeren.
Mits betaling - in dollars uiteraard.
Taxi’s worden niet gecontroleerd. In
Rome laat ik je bij Kosovaarse vrienden
onderbrengen die al langer in Italië
wonen. Zij zetten je dan op de trein
naar België. Je moet wel nu beslissen.
ELA:
Daar hoef ik niet lang over na te
denken, eerwaarde. In Italië vind ik
geen werk en in België, waar goede
scholen en oogartsen zijn, ben ik
welkom. (betaalt de Zuster Octavia)
ZUSTER
OCTAVIA: Goed. Dan duik je nu nog
een nachtje onder op de hooizolder bij
Liran en Drita. Morgenvroeg komt de
taxi. Ik wens je behouden aankomst in
België, mijn kind. Ga in vrede.
(allen
af – we horen een fluitsignaal en een
vertrekkende trein)
LA
MAMA:
(op
zwaait naar de trein)
Dag Ilir! Daag Lindita! Chau Ela! Bel me
als je aangekomen bent, hè! Ik ga jullie
missen! (werpt kushandjes) Toen
ze bij mij kwamen, waren ze alle drie
uitgeput en vel over been. Mijn man, die
bij de spoorwegen werkt, moest hen ’s
anderendaags op de trein naar België
zetten. Zo’n uitgemergelde stakkerds zo
maar op de trein zwieren? Dat kon ik
niet. Ze hadden niet eens nette kleren,
die moesten dringend gewassen worden. ’s
Anderendaags werd het jongetje ziek. Het
had hoge koorts en moest aldoor braken.
Niet moeilijk. Het ventje droeg altijd
een uitgespoelde, natte luier. Ela had
maar twee luiers en kende geen Pampers.
Ik ben direct Pampers gaan kopen en heb
een dokter gebeld. En maar goed. Zonder
doktershulp had die kleine het niet
gehaald. Ik heb hen twee weken verzorgd.
Ze wou me er voor betalen. Maar mensen
toch! Ik heb uit vrije wil en met liefde
en plezier voor hen gezorgd. Daar betaal
je toch niet voor! Toen Ilir genezen
was, hebben we de treinreis voorbereid.
Ik had nog een oude reiskoffer op zolder
en propte ze vol afgedragen kleren van
mij en mijn dochters. Voor Ilir kocht ik
een tweedehandse buggy. Het grootste
probleem waren de treintickets. Ela had
nog wel dollars, maar niet genoeg voor
de reis. Mijn man kon hen wel ongezien
op de trein smokkelen. Maar dat was te
riskant. Financieel hebben wij het niet
slecht, maar drie internationale
treintickets kopen… dat kon ‘mijn
bruine’ niet trekken. Toen dacht ik aan
Rosita. Enkele jaren geleden had ik haar
ook geholpen. Ze woont nu in Duitsland
en verdient héél goed de kost. Ze belt
me nog geregeld. “Als je in nood zit,
mag je altijd op mij rekenen” zei ze. Nu
zat ik in nood. Wel niet voor mezelf.
Maar dat maakt geen verschil. Die lieve
Rosita! Eén telefoontje en enkele dagen
later stond het nodige geld op onze
rekening. Mijn man heeft dan nog contact
opgenomen met de Kosovaren die hen in
Brussel gingen opvangen. Ik wou hen niet
laten gaan zonder te weten dat er voor
hen gezorgd werd. We hebben nog een foto
van haar opgestuurd, zodat ze haar in
Brussel kunnen herkennen. ’t Zijn zulke
schatten! Ik wou dat ze Kerstmis nog
samen met ons hadden gevierd. Ik ga ze
missen. (af)
(we
horen een trein stoppen)
ELA: (op
met valies, buggy en “haar kinderen”)
We zijn
er, kindjes! Hier is de witte toren met
nummer 22! Hier moeten we wachten op
mijnheer Matish. Hij zal nu wel terug
naar huis zijn. We zijn te laat. Maar
ja, de trein stopte pas kilometers
verder. Er zat dus niets anders op dan
de sporen te blijven volgen tot hier. La
mama had gezegd dat die wagon in Rome
hersteld was en daarom leeg naar België
terug reed. Ik zou de enige reizigster
zijn in die wagon. Maar net na het
vertrek stormden ineens tien negers
binnen. Verstekelingen. Dat was
duidelijk. Ze waren luidruchtig en
bedreigden me met een mes. Toen ik met
mijn ticket zwaaide snapten ze dat ik
het recht had om in die trein te zitten
en lieten ze me gerust. Ze aten,
rookten, dronken bier tot ze stomdronken
waren en lieten al hun afval in de wagon
slingeren. De coupé stonk uren in de
wind. Net voor Parijs zijn ze uit de
trein gesprongen. Toen de trein in het
rangeerstation van Parijs stopte, heb ik
de boel opgeruimd: alles netjes in de
plastic zakjes gestopt die ze hadden
laten rondslingeren. Omdat de stank niet
te harden was opende ik de kleine
venstertjes. En dat was fout. Daarmee
had ik de aandacht getrokken van een
spoorwegbeambte. Hij kwam binnen, keek
kregelig en vroeg aldoor: “Passeport!
Passeport!”
RANGEERDER: (op)
Passeport! Passeport! Ik had het nog
honderd keer kunnen vragen. Je zag zo
dat het illegalen waren en dat ze geen
paspoort had. O maar! Ze had tickets!
Tickets voor België. Hm Als ik haar
oppak voor het feit dat ze geen paspoort
heeft, moet ik een verslag schrijven,
hen naar de sociale dienst brengen.
Pfft! Ik hoor Madame Sociale al zagen:
“Moet je daar nu mee afkomen? Vlak voor
Kerstmis? Ik heb nu wel wat anders te
doen, hoor!” En binnen een uurtje zit
mijn dienst er op. Zut! Ik laat ze
zitten. Dat ze er in België hun plan mee
trekken. (af)
(Ela
als hoopje ellende op de scène – we
horen een kerstlied)
MATISH
(op): Ela Tafa?… Ik ben Matish.
ELA:
Ik wacht hier al drie dagen.
MATISH:
Wat had je gewild? Dat ik
eergisteren kwam en dat de Roma
zigeuners me onderweg vermoorden? Dan
had je hier nog langer gezeten. Luister.
We gaan zo meteen naar de
vreemdelingendienst. Je zal daar
ondervraagd worden. Begin met deze
woorden van buiten te leren: “Kosovo” en
“asiel”. Meer hoef je in ’t begin niet
te zeggen. Daarna roepen ze er een tolk
bij. Dan mag je je hele verhaal
vertellen, met dit verschil: ten eerste,
je man heeft voor de Democratische Liga
van Kosovo gevochten en daarom heeft het
U.C.K. jullie bedreigd. Gesnapt? Ten
tweede: Je wist dat U.C.K. een
familielid van Matish Mauritius – dat
ben ik – vermoord had. En daarom zijn
jullie gevlucht. Is dat duidelijk?
ELA:
Waarom moet ik liegen?
MATISH:
Omdat je anders geen asiel krijgt, domme
gans!
ELA:
Wat is asiel?
MATISH
: Nog één zo’n stomme vraag en ik
zet je terug op de trein, richting
Rusland. Komaan, mee naar de
vreemdelingendienst. Weet je nog wat je
moet zeggen?
ELA:
Asiel. Kosovo. Asiel. Batusha heeft
voor de Democratische Liga van Kosovo
gevochten en werd door het
bevrijdingsleger bedreigd. Ik wist dat
het U.C.K. een familielid van Matish
Mauritius vermoord had en daarom zijn we
gevlucht. Ik had die zinnen voortdurend
herhaald. Ik mocht geen fouten maken.
Matish had me op het hart gedrukt dat ze
van cruciaal belang waren. Op de
vreemdelingendienst heb ik eerst lang
zitten wachten. Tot uiteindelijk de dame
achter het loket teken deed dat het mijn
beurt was. Ik dreunde mijn woordjes en
zinnen af. Maar de loketdame onderbrak
me.
LOKETBEDIENDE:
Hebben we nog een Kosovaarse vertaler?
STEM
ACHTER DE COULISSEN: Alleen nog een
Serviër.
LOKETBEDIENDE: Dat is ook goed.
Stuur die maar.
ELA:
Een uur later kwam een man naar me
toe. Hij sprak Servisch. Hij was de
officiële tolk, zei hij. Een Serviër…
als tolk voor een Kosovaarse die door de
Serviërs op de vlucht was. (ironisch
lachje) Servisch is niet hetzelfde
als Kosovaars, maar ik verstond hem.
Alleen twijfel ik er sterk aan of hij
mijn verhaal wel juist vertaald heeft.
Ik vertelde wat ik meegemaakt had en
natuurlijk ook de zinnen die ik van
Matish moest zeggen. Toen zei hij dat ik
waarschijnlijk geen asiel zou krijgen en
dat ik beter terug naar Kosovo zou gaan.
Ja hallo! Ik zal een Serviër mij eens
laten vertellen wat ik moet doen!
Uiteindelijk kreeg ik van de loketdame
een document met mijn foto op. De tolk
zei dat ik naar Belsele moest gaan en
eerst een appartement moest huren.
Daarna moest ik hen zo vlug mogelijk een
kopie van het huurcontract bezorgen. Ik
snapte er niets van. Hoe kon ik nu een
appartement huren? Ik had geen geld!
(af)
MATISH:
(op) Om van het OCMW geld te
kunnen krijgen moet ze nu eerst een
adres hebben. Rapper
gezegd dan gedaan. Belgen verhuren niet
graag aan vreemdelingen. Maar goed, ik
pluisde de krant uit en nam hen mee op
sleeptouw, op zoek naar een appartement.
Hoe rapper ze een domicilie heeft, hoe
rapper ze begint te renderen. (af)
MADAME
HILDA:
Het was de derde avond na Kerstmis. Ik
had net de hond uitgelaten toen de bel
ging. Bezoek? Ik keek door het
spionnetje en zag… een ei! Een
krokodillenei! Behoedzaam opende ik de
deur. Het ei bleek een hoofddeksel met
daaronder een donkerbruine Piet Piraat.
In gebroken Engels, Frans en Duits,
vroeg hij: “House à côté.
Votre house? You vermieten?”
Ja,
het was mijn huis. En ja, het stond te
huur. De vorige huurder was met de
noorderzon verdwenen. Maar of ik aan
zo’n krokodillenkweker wou verhuren? Hij
moet mijn aarzeling gemerkt hebben want
meteen daarop zei hij: “Not for me! Pour
Madame!” Hij duwde een schim naar voren
alsof hij een exquise “plat du jour” wou
aanbevelen. “Madame” droeg een baby en
had een kleuter aan de hand. Haar
houding was gelaten, futloos. Ze sloeg
de ogen op. Die blik… Ik voelde het
kippenvel over mijn lijf kruipen. Haar
ogen fonkelden als karbonkels. Ze trok
haar kinderen dicht tegen zich aan. Ik
begreep het. Ze deed het voor hen. Ik
liet hen het huis zien. Het was
duidelijk naar hun zin. Maar toen bleek
dat ze geen paspoort had, enkel een
papier met als titel 26bis, zei ik: “Kom
morgen terug” zei ik, “ik wil er over
nadenken.”
ADVOCATE:
(op) Mensen zonder wettige
verblijfspapieren hebben basisrechten
die opgenomen zijn in
mensenrechtenverdragen, internationale
akkoorden en in de Belgische grondwet.
Zo heeft iemand zonder wettig verblijf
recht op onderdak. Mensen zonder wettig
verblijf kunnen in principe een woning
huren. Het verhuren van een pand aan
iemand die illegaal in het land
verblijft, is niet strafbaar. Het
misbruik maken van hun kwetsbare positie
wel. (af)
MADAME
HILDA: Toen ze ’s anderendaags
aanbelden – die eierdop was er weer bij
- had ik het huurcontract klaar. En… ik
had een Albanees-Nederlands woordenboek
gekocht. Ik wou dat ze de elementaire
huurvoorwaarden heel goed begrepen. Ik
wilde alleen aan dat Kosovaars madammeke
en haar kinderen verhuren. Die eierdop
kwam er niet aan te pas. Ik vroeg één
maand huurwaarborg en eiste dat de
maandelijkse huur voor het begin van de
maand betaald was. Ik mag dan wel een
goede ziel zijn, maar met geldzaken ben
ik principieel. Ik stond wel toe dat ze
er gratis een weekje vroeger in trok op
voorwaarde dat die eierdop de
slaapkamers en de woonkamer zou
behangen. Het behangpapier zou ik wel
bezorgen.
(Matish
en Ela op)
MATISH:
Ik behangen? Wat denkt die wel? Dat
ze mij zo maar aan ’t werk kan zetten?
Ik laat me niet commanderen. En zeker
niet door een vrouw. In Kosovo zou ik
haar godverdomme wel geleerd hebben wie
de baas is.
ELA:
Wat een mooi huis! Drie slaapkamers
en een grote zolder! In de keuken stond
een grote kast met een kookvuur en een
oven en een ijskast. En boven een groot
bed. Dat mogen we allemaal gebruiken!
MATISH:
Zonder voorschotten geen contract.
Verdomme! Waarom geeft ze dat contract
niet? Er is toch een akkoord! We hebben
handen geschud!
ELA:
Volgende week mogen we het contract gaan
tekenen… als Matish het voorschot en de
huur kan en wil betalen…
MATISH:
Met een huurcontract krijg ik bij
het OCMW geld om drie maand voorschot te
betalen. Dan kon ik die twee maand
voorschot op mijn bil kletsen. Maar nu
moet ik potverdikke eerst zelf aan geld
zien te geraken. Verdomme, verdomme,
verdomme!
ELA:
Lindita en Ilir en ik, dat groot
huis! Het is te mooi om waar te zijn.
Misschien wil Matish het huis wel voor
zichzelf. Zijn appartement is veel
kleiner.
MATISH:
OK. We fiksen het wel. Ik verdwijn
voor een nachtje naar Brussel en morgen
heb ik het geld. “Geleend van een
vriend” zal ik maar tegen mijn vrouw
zeggen. (tot Ela) Komaan! Er is
nog werk aan de winkel.
(Ela en
Matish af)
MADAME
HILDA: Een week later brachten ze
het geld en we tekenden het huurcontract
dat alleen op haar naam en dat van haar
kinderen staat. En zij kreeg de sleutel.
Die eierdop keek toen wel sip. Maar dat
kon me niet schelen. Ik kocht
behangpapier en legde het in het huis.
Daarna bleef het dagenlang stil. En dan
opeens, eind januari, hoorde ik er
gerommel en gestommel. Aha! Ze waren
waarschijnlijk aan ’t behangen. Ik had
wel een reservesleutel, maar ‘k belde
braafjes aan. En wie deed open? Een
andere eierdop! Hij was de woonkamer aan
’t behangen… ( slaat hand voor de
ogen) zoals vroeger, met een
overslag! En ’t was vinylpapier! Dan wou
ik naar boven gaan om naar de dakgoot te
gaan kijken. Want ik herinnerde me dat
die verstopt was. En wat stond er in het
deurgat? Nog een eierdop! Ik duwde hem
vriendelijk opzij en gebaarde dat ik
iets moest nakijken. Terwijl ik hem
passeerde, begon hij luid te praten.
Toen ik in de gang kwam, wist ik tegen
wie. Op de overloop stond verdorie nog
een eierdop! Ik negeerde hem en ging op
de slaapkamer naar de dakgoot kijken. En
inderdaad, die moest dringend gekuist
worden. Ik riep die derde eierdop en
wees naar de goot. Hij snapte het begon
meteen de dakgoot proper te maken. Ik
ging naar de zolder om die dakgoot nog
te inspecteren… staan daar nog twee
eierdoppen, zeg! Een ervan sprak
behoorlijk goed koeterwaals en zei dat
Matish, “le personne qui louer le maison”,
gezegd had dat ze hier moesten blijven.
Matish, Matish! Die vent had daar niks
te vertellen! Toen viel mijn nikkel. Die
Matish was zinnens om het huis aan die
vijf gasten onder te verhuren. En ik zou
ongewild en ongeweten een huismelker
zijn! Ik stormde naar beneden. Ik wou ze
met het huurcontract allemaal buiten
zwaaien. Zie ik plots, de sleutel aan de
binnenkant van de deur steken. Ik pakte
hem mee en sloeg de deur dicht. (af)
(Ela
en Vitoria op)
ELA:
In afwachting dat ik in het mooie
huis zou mogen wonen, logeerden we bij
Matish en zijn vrouw Vitoria. Het was
een maand zonder zorgen. Want Victoria
en Matish zorgden voor alles. De sleutel
van het huis had ik aan Matish gegeven.
Ook het geld dat ik in Belsele kreeg,
gaf ik aan hem. Hij was tenslotte de man
en hij zorgde voor alles.
VITORIA:
Het is krap wonen met Ela en haar
kinderen er bij. Maar het is ook
gezellig. En het is bij ons toch
regelmatig de zoete inval. Matish is een
schat. Hij is voortdurend in de weer om
landgenoten te helpen, ook al zijn onze
papieren nog niet in orde. Nu is hij
weer bezig om naast Ela nog vijf
ex-soldaten onderdak te bezorgen. Hij
heeft ze allemaal in het huis van Ela
aan ’t werk gezet. Ik denk dat die
jongens daar ook zullen gaan wonen. Het
huis was daar groot genoeg voor, zei
Matish.(af)
MATISH:
(op)
Dedju dedju! Ela! Maak je klaar. Om vier
uur afspraak bij madame Hilda. Er zijn
problemen.
(Ela
en Matish af)
MADAME
HILDA:
Ik had koffie gezet. Ik begreep intussen
dat “op de koffie komen” betekent: eens
rustig komen praten. De vijf gasten
waren bij Matish gaan aankloppen. Zonder
sleutel konden ze weinig doen. Ze waren
stipt. Met behulp van mijn boekje maakte
ik hen kordaat duidelijk waar het op
stond. Matish lachte me beleefd uit. Hij
had toch zijn woord had gegeven, zei
hij, en die mannen zouden ten laatste
morgen gedaan hebben. Ik maakte me
zorgen om niets. Hij gaf zich dus zonder
slag of stoot gewonnen. Nu ja, hij moest
wel. Hij had geen paspoort en die vijf
eierdoppen ook niet. Hij kon zich geen
problemen permitteren. We gingen samen
naar het huis en in het bijzijn van de
vijf eierdoppen overhandigde ik de
sleutel aan Ela en herhaalde nog eens
dat alleen zij en haar kinderen in het
huis mochten wonen. Ik schudde iedereen
de hand en bolde het af.
ELA:
(op)
Daar stond
ik, alleen tussen zes mannen die mij
stuk voor stuk konden opvreten.
Die Belgen met hun stomme
contracten! Voor alles was er een
contract! Ik werd er kierewiet van! Ik
had de pest aan madame Hilda. Waarom
moest ze Matish tegenover die soldaten
voor schut zetten? Matish is een
gerespecteerde man en de goedheid zelf!
Ik moest van Matish ’s anderdaags naar
“mijn” appartement verhuizen. Hij zou me
alleen nog helpen om in Belsele het geld
te gaan halen.
MADAME HILDA:
Ze
belde aan, het jongetje in de buggy, het
meisje aan de ene hand en een valies in
de andere hand. Dat was haar “verhuis”.
Allee. Waar moest dat mens op zitten? Ze
had geen stoelen, geen potten en pannen
en geen tafel. Jongens, jongens, wat een
toestand! Ik haalde een slaapzak voor de
kinderen; sleurde mijn tuinmeubelen naar
haar woonkamer; haalde wat oude potten
en pannen uit de kelder; lakens, dekens
en bestek had ook nog op overschot.
Enfin, ik rommelde tot ze een beetje
fatsoenlijk kon wonen. (af)
ELA:
Ik
begrijp die madame Hilda niet. Eerst is
ze zo vreselijk streng en daarna geeft
ze me zo maar een hele huisraad cadeau.
Ze ging met mij ook naar een school om
Lindita in te schrijven. ’s Anderendaags
mocht ze al naar school. Gratis!
Kinderen mogen hier gratis naar school,
zeg! Lindita gaat heel graag naar
school. In ’t begin klaagde ze, dat ze
niet kon zien wat de juffrouw op bord
schreef. Maar nu heeft de juffrouw haar
vooraan gezet. Ik zou zo graag met
Lindita naar een oogarts gaan. Maar
Vitoria heeft gezegd dat mensen zonder
papieren er niet binnen geraken. Zou ik
het eens aan madame Hilda durven vragen?
MADAME HILDA:
(op) Ah! Ela! Het is vandaag de
31ste. Mag ik je er aan herinneren dat
morgen de huur moet betaald worden?
ELA:
Oh maar
ik denk dat dat niet gaat, madame
Hilda. Het OCMW betaalt pas dinsdag uit.
MADAME HILDA:
Ok.
Voor één keer wil ik dat begrijpen.
Dinsdag dan. Maar in ’t vervolg wordt er
op de eerste van de maand betaald, ja?
ELA:
Ja, madame Hilda. (af)
MADAME
HILDA:
Het werd
woensdag en de huur was nog niet
betaald. Nu ben ik maar aan één ding
allergisch en dat is aan te late
betalingen (telefoneert)
SOCIAAL
ASSISTENTE BELSELE:
Met het OCMW
van Belsele.
MADAME HILDA:
Met Hilda, de huisbazin van Ela, de
Kosovaarse, weet je nog?
SOCIAAL
ASSISTENTE BELSELE:
Ah ja! Ik ben vorige maand nog bij jou
geweest in verband dat huurcontract en
ik ben toen ook naar het huis komen
kijken. Ik verwachtte eigenlijk een
telefoontje van jou.
MADAME HILDA:
Oh ja?
SOCIAAL
ASSISTENTE BELSELE:
Matish is
gisteren hier geweest. Alleen. Hij vroeg
Ela’s geld. Maar ik heb hem niks willen
geven. Sommige OCMW’s betalen wel zonder
boe of ba aan zogenaamde “familie”. Maar
wij doen dat niet. Ik heb Matish eens
nagetrokken. Blijkt dat hij op meerdere
OCMW’s geld gaat ophalen. Hij staat nu
op de zwarte lijst. Maar je hoeft niet
ongerust te zijn. Jouw huur wordt
betaald, hoor. Maar Ela moet zelf komen
ontvangen.
ELA:
Matish kwam me oppikken om op het OCMW
geld te halen. Hij was lastig. Toen niet
hij maar ik het geld kreeg werd het nog
erger. Hij zei, dat ik in ’t vervolg het
geld alleen maar moest gaan ophalen.
Moest ik met de buggy te voet van
Sint-Nicolaas naar Belsele? Nu ja, ik
mag niet klagen. Ik woon in een mooi
huis. Er is wel niets echt van mij, maar
ik ben nog nooit zo gelukkig geweest.
MADAME
HILDA :De
maand daarop haalde ik Ela op. “Kom” zei
ik, “we rijden naar Belsele”. En ik heb
nog een verrassing. Een paar weken terug
was Lindita’s schooljuf was bij mij
geweest. Ze had geprobeerd om er met Ela
over te praten, maar ze verstond haar
niet. Ze zei dat Lindita toch zo slecht
zag en stelde voor om op school een
omhaling te doen voor een bril voor
Lindita. Of ik dan met haar naar een
opticien wou gaan. Het resultaat van de
omhaling was behoorlijk. Het tekort zou
ik wel aanvullen.
OOGARTS:
(op)
Het is
een erfelijke ziekte. In België komt die
ook voor, maar wij laten het nooit zo
ver komen. Lindita’s oogziekte is al een
vergevorderd stadium. In dit stadium heb
ik het nog nooit gezien. Ik ga haar een
bril voorschrijven. Ze zal die haar
leven lang moeten dragen. Let er evenwel
streng op dat ze die ‘altijd’ draagt.
Als ze dat niet doet, wordt ze wel
degelijk blind. (af)
ELA:
(op) Lindita heeft een bril! Lindita
heeft een bril! Lindita heeft een bril!
Ze wordt niet blind! (af)
MADAME
HILDA:
Maanden gingen voorbij en ik ging
geregeld eens kijken bij Ela. Het was
mooi om zien hoe ze zich beetje bij
beetje aan haar nieuwe leven aanpaste.
“Integratie” noemen onze politici dat.
Maar ze hebben er geen flauw benul van
wat dat allemaal inhoudt. Dat is een
proces van jaren.
ELA:
Madame Hilda, de postbode heeft een
dikke brief gebracht. Het ziet er heel
belangrijk uit. Ik denk dat het mijn
papieren zijn!
ADVOCATE
:
(op)Afwijzing van aanvraag en
bevel om het land te verlaten. Aan de
persoon die zich Ela Berisha noemt, in
toepassing van artikel 52 van de wet van
15 december 1980, gewijzigd door de
wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996,
wegens het feit dat: de vraag kennelijk
niet gegrond is, omdat de vreemdelinge
geen elementen aanhaalt van gefundeerde
vrees voor vervolging in de zin van de
internationale Conventie, getekend te
Genève op 28 juli 1951. De betrokkene
die zich zonder identiteitspapieren
heeft aangemeld, bewerende Albanese uit
Kosovo te zijn, was niet in staat
elementaire vragen over Kosovo en de
toestand daar te beantwoorden.
Bijgevolg, wegens sterke twijfel aan de
nationaliteit van de betrokkene, wordt
haar verzoek onontvankelijk verklaard,
wegens niet gefundeerd. Bijgevoegd:
vragenlijst om desgewenst tegen deze
beslissing beroep aan te tekenen.
SOCIAAL ASSISTENTE
BELSELE:
(op) Niet te veel zorgen maken
over die brief. Dat is de normale gang
van zaken. Het enige dat Ela nu moet
doen is in beroep gaan. Stuur zo snel
mogelijk de bijgevoegde vragenlijst per
aangetekend schrijven op en bezorg ons
een kopie. Dat is alles. Dan heeft ze
natuurlijk nog geen zekerheid. Maar het
duurt jaren voor een beroepaantekening
beantwoord wordt. En is dat antwoord
uiteindelijk negatief, heeft ze gegronde
redenen om naar de Raad van State te
gaan. Het duurt dan weer jaren voor ze
daar antwoord op krijgt. En is dat
uiteindelijk ook negatief, is ze
intussen ettelijk jaren geïntegreerd en
kan ze een 9.3 indienen.
ADVOCATE: Artikel 9.3 van de
asielwetgeving. In uitzonderlijke
omstandigheden kan aan vluchtelingen om
humanitaire redenen asiel gegeven
worden. De humanitaire redenen worden
niet gespecificeerd, waardoor een
aanvraag op basis van artikel 9.3 grote
onzekerheid met zich meebrengt. (af)
MADAME
HILDA: Drie maanden later kreeg Ela
al antwoord. Minister Dusquenne had
verkondigd, dat voortaan alle
asielaanvragen binnen de drie maanden
zouden afgehandeld zijn. Met als gevolg
dat
dossiers
die rechtlijnig en eenvoudig waren in
sneltempo werden afgehandeld en allemaal
negatief kregen. Dan kostte het de staat
niets meer, zie je. Wie niet akkoord was
moest maar naar de Raad van State. De
argumentatie van de dienst
vreemdelingenzaken was als officieel
volgt: Ela was tijdens oorlog terecht
gevlucht. Maar nu de oorlog voorbij was
en de VN er de veiligheid waarborgde,
was de Conventie van Geneve was voor
haar niet meer van toepassing. Zij was
geen politieke vluchtelinge meer. (af)
ELA:
Terug
naar Kosovo? Waar naartoe? Ik heb er
geen huis. Mijn man is nog altijd
spoorloos. Als ik terug ga, moet ik gaan
bedelen. En Lindita… Ze doet het zo goed
op school….
SOCIAAL ASSISTENTE SINT-NICOLAAS:
We
hebben hier in Sint-Nicolaas het dossier
van Ela doorgekregen. Het is een sterk
dossier. Zij maakt veel kans om met een
9.3 op humanitaire gronden een
verblijfsvergunning krijgt. Maar dan
moet ze wel eerst deze beslissing bij de
Raad van State aanvechten. En dat kan
lang duren. Soms wel tien jaar. Het
grote probleem is echter dat wij haar nu
financieel niet meer mogen steunen. Maar
misschien kan het Oberonfonds helpen.
Dat is een vereniging die speciaal voor
zulke gevallen is opgericht. En als ze
dan nog een beetje in ’t zwart zou
kunnen bijverdienen…
OBERON:
(op) Oberon is een
organisatie die werkt met steun van
vrijwilligers en
vrijwilligersorganisaties. Het is de
laatste reddingsboei voor wie tussen de
mazen van het sociale net valt. Onze
middelen zijn beperkt. Maar we doen al
het mogelijke om vooral de meest
kwetsbare asielzoekers op te vangen en
hen met raad en daad bij te staan.
(af)
ELA:
Madame
Hilda had een advocaat onder de arm
genomen. Een “Protéüs” of zoiets. Hij
had mijn regularisatie geregeld en nu
moest ik gewoon afwachten. Ik snapte er
niets van. Wat ik wel begreep was, dat
ik voor de Belgische staat niet meer op
hun grondgebied leefde en dus ook geen
hulp meer kon krijgen. Gelukkig had
madame Hilda had het Oberonfonds
gevonden. Die hielp me met de huishuur.
En in de buurt was een organisatie die
voedsel bedeelde. Ik maakte er gebruik
van maar was daar niet gelukkig mee. Ik
wilde werken voor mijn centen!
MADAME
HILDA:
Sedert Ela’s beroep afgewezen is, loopt
ze er bij als een zombie. Ik nam haar al
eens mee naar een toneelvoorstelling,
samen met de kinderen naar een pretpark,
naar zee. En dan lacht ze maar alleen om
mij plezier te doen. Verdomde politici!
Snappen die dan niet dat die vrouw niet
terug kan!
ELA:
Op een
van de uitstapjes met madame Hilda was
Rucoli lastig. Ik werd er kregelig van
en snauwde hem in het Kosovaars toe dat
hij zijn snuit moest houden. Zegt plots
een man in het Albanees: “Ach, die
kleine heeft misschien zin in een ijsje.
Zullen we samen een ijsje gaan eten?” Zo
leerde ik Alexander kennen.
MADAME
HILDA:
Die vent stond me niet aan. Het was te
slijmerig. Een grijnzende
breedsmoelkikker.
ELA:
Ik mocht hem ook niet. Maar ’t is een
man. En tegenover een man moet een vrouw
altijd beleefd en onderdanig zijn.
ELA:
In madame Hilda’s kennissenkring
werd voor mij naar werk gezocht. Het
kwam traag op gang, maar stilaan kreeg
ik meer en meer werk, als poetsvrouw. Zo
kon ik het uiteindelijk zonder die
gratis voedselbedeling stellen. Daar was
ik enorm blij om. Voor het huurgeld
zorgde Oberon nog. Ik hoopte maar dat
Batusha ons zou vinden. Aan alle
Kosovaren die ontmoette en ook via
Matish en Vitoria, die regelmatig op
bezoek kwamen, vroeg ik geregeld naar
Batusha en zijn familie. Madame Hilda
had me zelfs met een kopie van mijn
26bis op de site van het Rode Kruis
aangemeld. Maar het bleef stil van die
kant. Intussen bleef mijn regularisatie
aanslepen. Ik woonde ruim vier jaar in
België en die Protéo advocaat zei nog
steeds: afwachten.
MADAME
HILDA: Dat kan toch niet, hè! Twee
jaar! Twee jaar geleden heeft de
advocaat haar dossier bij de
vreemdelingendienst van Sint-Nicolaas
ingediend. En nog altijd geen reactie!
OBERON:
(op) Oberon deed
navraag. Bleek dat in Brussel geen
dossier van ene Ela Berisha bekend was.
Of wij wel zeker waren dat de advocaat
zijn werk gedaan had. Ja, hij had zijn
werk gedaan. Madame Hilda had een brief
van de advocaat met de bevestiging dat
haar dossier doorgestuurd was naar de
bevoegde diensten in Sint-Nicolaas en
dat na buurtonderzoek door de politie
het dossier naar Brussel zou gestuurd
worden. (af)
ELA:
Politie? Hier is nooit politie
geweest!
OBERON:
Dan is het dossier
hoogstwaarschijnlijk in Sint-Nicolaas
verloren gegaan. Het meest praktische is
de advocaat een nieuw dossier te laten
indienen.
ADVOCATE:
Ik
maakte een kopie van het dossier, voegde
er nog wat schoolrapporten aan toe en
bewijzen dat Ela gemeentetaks betaalde
en stuurde het nog eens op. Enkele weken
later informeerde ik per brief op de
dienst vreemdelingenzaken hoe het met
dat dossier gesteld was. Laconiek
schriftelijk antwoord: “Wij hebben hier
geen dossier van Ela Berisha. Zou je ons
een kopie willen sturen?” Nu had ik een
bewijs dat er in Sint-Nicolaas
nonchalant met dossiers omgesprongen
werd. Ik stuurde het dossier nog eens
op, maar wel een kortaangebonden
begeleidingsbrief deze keer. (af)
MADAME HILDA:
Toen kwam de politie voor dat
buurtonderzoek. ’t Zou gaan tijd worden!
Een paar weken later kreeg Ela een
aangetekend schrijven. Ze moest zich in
Sint-Nicolaas bij de vreemdelingendienst
aanmelden. Ik ging mee. We kwamen er aan
rond 9uur. Rond de middag was het onze
beurt. En toen kwam het strafste. Op het
bureau van de ambtenaar lagen de drie
dossiers die de advocaat gestuurd had.
Alle drie! Netjes op een stapel. Hij
vroeg Ela’s oproepingsbrief, zette er
datumstempel en een handtekening op,
deed dat ook bij alle drie de dossiers.
En dat was het. We mochten vertrekken.
Daar hadden we twee jaar voor gewacht en
drie uur zitten aanschuiven. En dan was
het weer afwachten, tot de
vreemdelingendienst van Brussel zou
reageren.
ELA:
Een jaar
later kreeg Matish prettig nieuws. Hij
had zijn verblijfsvergunning gekregen en
was dolblij. Maar het had ook
neveneffecten. Vroeger had Matish al
eens een paar keer toespelingen gemaakt
om mij als tweede vrouw te hebben. Ik
wees dat telkens beleefd maar beslist
af. Nu hij zijn verblijfsvergunning had,
kwam hij daar op terug. Nadrukkelijker
deze keer. Maar ik weigerde, resoluut
deze keer. Na de affaire met Alexander
was ik weerbaarder geworden. Op een dag
had Matish een paar glaasjes te veel op
en eiste dat ik zijn tweede vrouw werd.
Toen ik hem weer afwees, werd hij boos
en probeerde me te chanteren… met
naaktfoto’s… Ik geloofde mijn eigen oren
niet. Maar hij gaf details die alleen
iemand kon weten die de foto’s goed
bekeken had. Details die ik noch aan de
politie, noch aan madame Hilda ooit
verteld had. Ik wees Matish de deur. Ik
was immers geen hulpeloze Kosovaarse
meer. Ik had geleerd van me af te
bijten. ’s Anderendaags ging ik naar
Vitoria en vertelde haar over Matish’s
aanzoek én over de foto’s. Daarna
lichtte ik Madame Hilda in.
MADAME HILDA:
Dat Matish haar een aanzoek deed, was
niet onwettelijk. Maar die foto’s… Als
hij ze had, zouden ze boven komen. Ik
nodigde Matish uit op de koffie. En ja
hoor, ’s anderendaags stond de eierdop
met een brede smile aan mijn deur. Ik
bleef beleefd en zei heel beminnelijk
dat hij me de foto’s moest geven, want
dat ik anders actie zou nemen. Twee
weken na de verkrachting had hij de
foto’s gezien, zei hij. Alexander had ze
moeten afgeven aan de vierschaar. Eén
van hen had ze bijgehouden. Maar hij had
ze niet. Ik drong niet langer aan. Toen
hij weg was, schreef ik een rapport over
het gebeuren en bezorgde het aan de
politiedienst waar we Ela’s verkrachting
hadden aangegeven. Via via hoorde ik dat
Matish twee weken later op het matje
geroepen was. Maar wat er van voort
kwam, behoorde tot “het geheim van het
onderzoek’. In ieder geval, sindsdien
heeft Matish Ela nooit meer lastig
gevallen.
ELA:
Drie jaar
nadat mijn drie dossiers in
Sint-Nicolaas officieel ingediend waren,
kreeg ik een schrijven van de
vreemdelingendienst.
LOKETBEDIENDE: (op) 1°
Toen in 2002 de Raad van State negatief
oordeelde over uw dossier, had u het
land al moeten verlaten. 2° Dat u in
België illegaal bent blijven wachten op
antwoord is niet onze fout. 3° Wij
kunnen geen rekening houden met het feit
dat uw kinderen hier school lopen. In
2000, toen het beroep negatief besliste,
was uw dochter geen zes jaar en
bijgevolg nog niet schoolplichtig. Als u
onmiddellijk gevolg had gegeven aan het
uitwijzingsbevel had u uw dochter nog in
Kosovo kunnen laten inschrijven. 4° Uit
uw illegaal verblijf kan u geen rechten
putten. Dat u hier als voorbeeldig
burger leeft, is niet meer dan normaal.
(af)
ELA:
Weer bot
gevangen. De advocaat heeft een nieuwe
9.3 opgemaakt en ingestuurd. Maar ik
trek het me niet meer aan. Ik ben
gelukkig. Ik ga vijf dagen in de week
poetsen en kan nu alles zelf betalen.
Lindita gaat binnenkort naar de
middelbare school en Ilir studeert
flink… We zijn gelukkig, Batusha. Waar
blijf je?
(Ela af. Er
rinkelt een deurbel. Ela op, overstuur)
ELA:
Madame Hilda!
Madame Hilda!
(Madame Hilda op) Ik heb bezoek
gehad. Je hebt me geleerd dat, ik tijd
moest winnen als er iets onverwachts
gebeurde. Dat heb ik gedaan. Wil je
morgen asjeblieft op de koffie komen.
Morgenavond. Om zes uur. ’t Is
belangrijk. Heel belangrijk.
MADAME HILDA:
Ok. Ik
zal er zijn.
ELA:
Dank u. Tot morgen. (af)
MADAME HILDA:
Een half uur later kreeg ik telefoon van
Lindita. In keurig Nederlands bevestigde
ze nogmaals de uitnodiging. Ze zei dat
haar moeder wou dat ik het heel goed
begreep dat ik morgen om zes uur op de
koffie verwacht werd en Lindita zou
alles vertalen. Dat moet wel een heel
belangrijk gesprek zijn morgen. Bezoek
uit Kosovo! Zou haar man…? (af)
(Ela ontvangt
bezoek: twee dames en een heer. De
kinderen (reiszakken) zijn er ook.
Madame Hilda op)
ELA:
Madame
Hilda, mag ik u voorstellen. Dit is een
verre neef van Batusha. Dit is de
schoonmoeder van mijn blinde broer en
dat is de schoonzuster van mijn broer.
Ze komen vragen of ik terug naar Kosovo
wil komen.
SCHOONZUS:
Ela’s schoonvader heeft zijn fout
ingezien is met onze hulp terug naar het
dorp kunnen terugkeren.
SCHOONMOEDER:
Maar daar zat hij nu alleen met mij en
mijn twee dochters en mijn blinde
schoonzoon. Haar broer dus en haar
blinde vader.
SCHOONZUS:
Ela’s moeder was intussen gestorven.
SCHOONMOEDER:
Wij kunnen met ons gedrieën al dat werk
niet aan.
SCHOONZUS:
En daarom komen we zeggen je kan terug
komen.
SCHOONMOEDER:
Jij bent jong en sterk. En Lindita is al
groot, die kan ook helpen.
ELA
: Mijn
kinderen gaan hier naar school.
KOSOVAARSE
MAN:
Nah. Lindita hoeft toch niet naar
school. Ze is nu dertien en weet al meer
dan jij op 18de. Jouw
schoonvader vindt voor haar wel een
goede partij.
ELA:
(trots en ziedend)
Als de
familie Tafa een slavin neemt, moet ze
daar zorg voor dragen. Deze slavin is
zeven jaar spoorloos geweest. In barre
tijden. Niemand die haar kon vinden of
…wou haar niet vinden? Ik heb elke
strohalm gegrepen om Batusha en mijn en
zijn familie terug te vinden. Maar er
kwam geen teken van leven. Niemand die
zich mijn lot aantrok. Er is zelfs nooit
naar haar geïnformeerd, terwijl er ruim
de tijd en de gelegenheid voor was. En
dan hebben ze handen te kort en plots
vinden ze haar. Nee… Ik kom niet terug.
En meer nog. Ik ben geen Tafa meer. Ik
wil die naam niet meer dragen. Ik ben
Ela Berisha. Een vrije vrouw, die zelf
de toekomst van haar kinderen bepaalt.
Adieu!
KOSOVAARSE
MAN:
Als je nu
niet mee komt, ben je geen Kosovaarse
meer en hoef je nooit meer terug te
komen.
ELA:
… Ik kom… nooit meer terug.
(de
gasten vertrekken)
ELA:
Ik weet niet of je begrijpt wat
daarnet gebeurd is, madame Hilda.
Ik heb in het bijzijn
van getuigen – daarom waren er ook de
kinderen bij - aan de naam Tafa
verzaakt. Wat in Kosovo wil zeggen dat
ik gebroken heb met mijn schoonfamilie.
Dat betekent ook dat, moest mijn
man nog leven, we vanaf nu gescheiden
zijn.
MADAME
HILDA: Het is jouw beslissing, Ela.
Jij mag het heft in eigen handen nemen.
Daar kan niemand iets op tegen hebben en
iedereen zou dat moeten respecteren.
Maar… Moest je alles kunnen overdoen,
zou je dan dezelfde beslissingen nemen?
ELA :
Welke beslissing heb ik in alle
vrijheid kunnen nemen, madame Hilda? De
vlucht uit Kosovo? Mijn vertrek uit
Albanië. De reis naar Rome en België?
Hier blijven na mijn beroepsprocedure?
En toch… ja, ik zou het allemaal over
doen. Met dit verschil. Ik zou eerst de
Conventie van Genève bestuderen en
omstandigheden scheppen om voor asiel in
aanmerking te komen – zoals Matish
gedaan heeft. Ik ben veel mensen
dankbaar, want ik heb het hier goed en
mijn kinderen zijn gezond en vrij.
Dankzij mensen zoals jij, madam Hilda.
Mensen... Administratieve diensten
kennen geen mensen. Die kennen alleen
dossiers. Ik ben wrakhout dat ongewild
is losgeraakt en eindeloos tegen de
golfbrekers van de administratie
aanbeukt. Ik ben aan ’t splinteren. Maar
ik hoop dat mijn kinderen het strand
zullen bereiken.
EINDE
Als basis voor dit docudrama diende het
verhaal van een bestaande vluchtelinge
"Ela". Van haar verhaal schreef ik het
boek “wrakhout” . Het boek word door de
auteur ten bate van Ela uitgegeven. U
kunt het op het adres van de site
bestellen aan €10 + portkosten |